Article 3.99
in forceResidence · Procedurele bepalingen
The application for the granting, amendment or extension of a fixed-term ordinary residence permit shall be submitted by the foreign national, their legal representative or their recognised sponsor, if the foreign national resides or wishes to reside in the Netherlands in the context of exchange or study, or for the purpose of performing work as a highly skilled migrant or research within the meaning of Directive (EU) 2016/801.
Regardless of the purpose for which the foreign national wishes to reside in the Netherlands, the application for the granting, modification or extension of a fixed-term ordinary residence permit shall, if necessary in derogation from the first paragraph, be submitted by the foreign national or their legal representative in person:
if the foreign national is not in possession of a valid provisional residence permit (machtiging tot voorlopig verblijf) corresponding to the purpose for which the foreign national wishes to reside in the Netherlands, and furthermore does not belong to one of the categories referred to in Article 17 of the Act or Article 3.71, paragraph 2;
in the cases to be determined by ministerial regulation.
By ministerial regulation it may be determined that the application of a foreign national as referred to in the first paragraph shall be submitted through the intervention of the recognised sponsor.
De aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingediend door de vreemdeling, zijn wettelijk vertegenwoordiger of zijn erkende referent, indien de vreemdeling in Nederland verblijft of wil verblijven in het kader van uitwisseling of studie, dan wel voor het verrichten van arbeid als kennismigrant of onderzoek in de zin van richtlijn (EU) 2016/801.
Ongeacht het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven, wordt de aanvraag tot het verlenen, wijzigen of verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, zo nodig in afwijking van het eerste lid, ingediend door de vreemdeling of diens wettelijk vertegenwoordiger in persoon:
indien de vreemdeling niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland wil verblijven en evenmin behoort tot een van de in artikel 17 van de Wet of artikel 3.71, tweede lid, bedoelde categorieën;
in de bij ministeriële regeling te bepalen gevallen.
Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de aanvraag van een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend door tussenkomst van de erkende referent.