Nederlandse wetgeving

Artikel 100

geldend

Van wisselbrieven en orderbriefjes · Van de uitgifte en den vorm van den wisselbrief

Wetboek van Koophandel — Eerste Boek · Titel 6 · Afdeling 1 · Geldig vanaf 1934-01-01

Bron

De wisselbrief behelst:

1°.

de benaming "wisselbrief", opgenomen in den tekst zelf en uitgedrukt in de taal, waarin de titel is gesteld;

2°.

de onvoorwaardelijke opdracht tot betaling van een bepaalde som;

3°.

den naam van dengene, die betalen moet (betrokkene);

4°.

de aanwijzing van den vervaldag;

5°.

die van de plaats, waar de betaling moet geschieden;

6°.

den naam van dengene, aan wien of aan wiens order de betaling moet worden gedaan;

7°.

de vermelding van de dagteekening, alsmede van de plaats, waar de wisselbrief is getrokken;

8°.

de handteekening van dengene, die den wisselbrief uitgeeft (trekker).