Nederlandse wetgeving

Artikel 45c

geldend

Verblijf · De status van langdurig ingezetene · § De EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen

Vreemdelingenwet 2000 · Hoofdstuk 3 · Afdeling 5 · § 1 · Geldig vanaf 2026-06-12

Bron
1.

Op het document, bedoeld in artikel 9, van de vreemdeling aan wie een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen is verleend, wordt de aantekening «Internationale bescherming op [datum] verleend door Nederland» geplaatst, indien de vreemdeling direct voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 die is verleend op grond van de artikelen 29 of 29a, tenzij de grond voor die verlening is vervallen.

2.

Indien de EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen wordt verleend aan een onderdaan van een derde land die reeds een verblijfsdocument bezit dat door een andere lidstaat is afgegeven en dat de aantekening «Internationale bescherming op [datum] verleend door [lidstaat]» bevat, wordt op het document, bedoeld in artikel 9, dezelfde aantekening geplaatst, tenzij de internationale bescherming bij een definitief besluit van die andere lidstaat is ingetrokken.

3.

Indien uit een verzoek van de autoriteiten van een andere lidstaat van de Europese Unie aan Onze Minister blijkt dat de internationale bescherming van de houder van een document als bedoeld in artikel 9, met daarop de aantekening als bedoeld in het eerste lid, door deze lidstaat is overgenomen alvorens deze lidstaat een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen heeft afgegeven, wordt de aantekening op het document, bedoeld in artikel 9, dienovereenkomstig gewijzigd.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid.

Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin dit artikel wordt toegepast.

2026-05-27 · ECLI:NL:RVS:2026:3045

Bij besluit van 19 september 2023 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bepaald dat [appellant] vanaf 1 maart 2024 moet beginnen met het terugbetalen van een lening voor het volgen van een inburgeringscursus. [appellant] heeft een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Hij verblijft bij zijn zoon die ook beschikt over een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Bij brief van 12 december 2016 heeft de minister [appellant] meegedeeld dat hij inburgeringsplichtig is. Zijn inburgeringstermijn is op 21 oktober 2016 gestart en hij had, met verlenging in verband met corona-maatregelen, tot en met 20 september 2024 om te voldoen aan zijn inburgeringsplicht. Bij besluit van 24 augustus 2023 heeft de minister [appellant] ontheven van de inburgeringsplicht, omdat hij genoeg heeft gedaan om in te burgeren. De minister heeft vervolgens bepaald dat zijn schuld € 8.940,68 bedraagt en dat hij maandelijks € 81,33 moet betalen. De minister heeft zich in het besluit van 8 mei 2024 op het standpunt gesteld dat uit de Wet inburgering, zoals deze luidde tot 1 januari 2022 (Wi), volgt dat [appellant] de lening moet terugbetalen en dat hij niet voldoet aan de vereisten om voor kwijtschelding van de lening in aanmerking te komen.

Uitspraak op rechtspraak.nl