Nederlandse wetgeving

Paragraaf B7/3

geldend

Specifieke beleidsregels · Gezinsmigratie

Vreemdelingencirculaire 2000 (B) · Hoofdstuk B7 · Geldig vanaf 2026-07-01

Bron

3.1 Huwelijk en (geregistreerd) partnerschap

3.1.1 Duurzame en exclusieve relatie

De IND neemt aan dat sprake is van een duurzame en exclusieve relatie als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder b, Vb als de relatie in voldoende mate met een huwelijk op één lijn is te stellen. Als de IND onvoldoende informatie heeft om te beoordelen of sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, dan kan de IND de aanvraag afwijzen.

De IND wijst de aanvraag in ieder geval af als aannemelijk is dat sprake is van een schijnrelatie. Een schijnrelatie is een relatie die is aangegaan met als enig oogmerk een vreemdeling die nog niet (of niet meer) over verblijfsrecht in Nederland beschikt alsnog verblijfsrecht te verschaffen.

3.1.2 Leeftijd echtgenoten of geregistreerd partners

In afwijking van artikel 3.14, aanhef en onder a, Vb en artikel 3.15, eerste lid, Vb verleent de IND met toepassing van artikel 3.13, tweede lid, Vb de verblijfsvergunning als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

•.

de vreemdeling en de referent hebben de leeftijd van achttien jaar bereikt;

•.

er is sprake van een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk of geregistreerd partnerschap; en

•.

het huwelijk of het geregistreerd partnerschap bestond al in het buitenland, voordat de referent rechtmatig verblijf in Nederland had.

3.1.3 Samenwoning

De IND neemt aan dat de vreemdeling en de referent samenwonen als bedoeld in artikel 3.17 Vb als zij aan alle volgende voorwaarden voldoen:

•.

de referent en de vreemdeling wonen feitelijk samen;

•.

de referent en de vreemdeling voeren naar buiten toe hetzelfde adres; en

•.

de referent en de vreemdeling zijn ingeschreven op hetzelfde adres in de BRP.

3.1.4 Polygamie

De IND wijst de aanvraag van de buitenlandse echtgenoot alsmede eventuele gezinsleden af als de in Nederland verblijvende referent met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft.

3.1.5 Verbreking huwelijk

De IND neemt aan dat de gezinsband is verbroken als het huwelijk tussen de vreemdeling en de referent feitelijk of juridisch is verbroken.

3.2 Minderjarige kinderen

3.2.1 Gezinsband

De IND neemt aan dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de referent, zoals bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb als tussen het kind en de referent sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM (zie B7/3.8.1).

Op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb verleent de IND in afwijking van artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb de verblijfsvergunning aan het minderjarige biologische of juridische kind dat:

•.

onder rechtmatig gezag staat van de om verblijf vragende echtgenoot, geregistreerd partner of partner van de referent; en

•.

naar het oordeel van de IND feitelijk behoort en al in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van die echtgenoot, geregistreerd partner of partner.

De IND neemt in ieder geval niet aan dat een kind feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb als:

•.

het kind zelfstandig woont en in eigen onderhoud voorziet; of

•.

het kind een zelfstandig gezin vormt door het aangaan van een huwelijk of een relatie.

Als het kind zelf de zorg heeft voor buitenhuwelijkse kinderen, is dit uitsluitend een reden om aan te nemen dat het niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de referent, als daarnaast sprake is van een van de twee hiervóór genoemde omstandigheden.

Verbreking feitelijke gezinsband

De IND neemt aan dat in Nederland buitenshuis wonende kinderen nog feitelijk tot het gezin van hun de ouder(s) behoren, als die (al dan niet met studiebeurs) een volledige dagopleiding volgen.

3.2.2 Zorgrecht en gezag

De IND neemt aan dat van rechtswege rechtmatig gezag hebben als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb:

•.

beide echtgenoten als het kind is geboren tijdens het huwelijk; of

•.

de alleenstaande moeder.

Dit geldt niet als er een aanwijzing is dat het gezag niet of niet langer bij hen of haar berust.

De IND neemt aan dat beide ouders rechtmatig gezag hebben als bedoeld in artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb als volgens de islamitische rechtstraditie de vader na ontbinding van het huwelijk het gezag houdt over zijn kinderen en de moeder het zorgrecht ('hadânah') krijgt.

3.2.3 Toestemming voor vertrek naar het buitenland van de andere met het gezag belaste ouder

De IND wijst de aanvraag op grond van artikel 3.14, aanhef en onder c, Vb af als:

•.

het rechtsstelsel in het land van herkomst het vertrek naar het buitenland van de ene ouder met de kinderen afhankelijk stelt van toestemming van de andere ouder;

•.

beide ouders het gezag hebben over het kind;

•.

een van de ouders achterblijft in het land van herkomst; en

•.

de achterblijvende ouder geen toestemming verleent voor het vertrek van het kind.

De toestemming van de daartoe competente buitenlandse instantie kan voor de hierboven bedoelde toestemming in de plaats worden gesteld als de ouder wiens toestemming is vereist:

•.

de toestemming niet wil geven;

•.

onvindbaar is; of

•.

is overleden.

3.2.4 Bereiken meerderjarigheid

De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning niet af op grond 3.14, aanhef en onder c, Vb om de enkele reden dat het kind de achttienjarige leeftijd heeft bereikt als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

•.

het kind is in het land van herkomst achtergebleven in verband met de vervulling van de militaire dienstplicht;

•.

het kind had op het tijdstip waarop de andere gezinsleden naar Nederland vertrokken de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt; en

•.

de aanvraag is ingediend binnen zes maanden na het ontslag uit militaire dienst.

3.2.5 Meetellen gezinsinkomen

De IND telt het zelfstandige en duurzaam verworven inkomen van de partner van de referent mee bij het beoordelen van het inkomen van de referent als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:

•.

de referent en zijn partner zijn gehuwd of zijn een (geregistreerd) partnerschap aangegaan;

•.

de partner van de referent is een Nederlander of heeft rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e, of l, Vw; en

•.

de referent en de partner wonen samen.

Als de referent voldoet aan bovenstaande voorwaarden, dan beschouwt de IND de middelen van bestaan als voldoende in de zin van artikel 3.22, eerste lid, Vb, als het gezamenlijke inkomen gelijk is aan het normbedrag als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb.

De IND kan de referent op grond van zijn of haar eigen situatie vrijstellen van vereiste met betrekking tot middelen van bestaan op grond van artikel 3.22, tweede lid, Vb of de in B7/2.1.1 opgenomen gronden, ongeacht de omstandigheid dat deze in gezinsverband leeft met een (huwelijks)partner.

De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid van het kind niet af op grond van artikel 3.22, eerste lid, Vb omdat de referent niet zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan beschikt, als wordt voldaan aan alle volgende voorwaarden:

•.

het minderjarige kind beoogt verblijf bij zijn juridische of biologische ouder, die op zijn beurt verblijf beoogt bij zijn (huwelijks)partner (de referent van de ouder); en

•.

door de referent van de ouder wordt zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan of deze is vrijgesteld van het vereiste met betrekking tot middelen van bestaan.

Dit geldt ook als de referent van het minderjarige kind inmiddels rechtmatig verblijf heeft, of Nederlander is.

3.2.6 Polygamie

Als de referent met meer dan één andere persoon tegelijkertijd door een huwelijk of (geregistreerd) partnerschap is verbonden, verleent de IND op grond van artikel 3.16 Vb geen verblijfsvergunning aan het minderjarige biologische of juridische kind van de referent als sprake is van één van de volgende omstandigheden:

•.

de referent in Nederland leeft samen met één van de partners én deze partner is niet de biologische of juridische ouder van het minderjarige kind; of

•.

de referent in Nederland leeft samen met een kind dat is geboren uit een andere relatie dan die tussen de biologische of juridische ouders van het minderjarige kind.

3.3 In Nederland geboren kinderen

De IND wijst de aanvraag van een in Nederland geboren kind als bedoeld in artikel 3.23, eerste lid, Vb niet af als het rechtmatig gezag van de ouders niet is aangetoond.

De IND wijst de aanvraag niet af wegens het niet bereid zijn een onderzoek naar of behandeling voor TBC te ondergaan en daaraan niet mee te werken.

Onder artikel 3.23 Vb wordt ook begrepen de situatie dat:

•.

het kind in Nederland is geboren;

•.

het kind behoort tot het gezin van een ouder, die na de geboorte van het kind genaturaliseerd is;

•.

het kind sinds de geboorte feitelijk is blijven behoren tot het gezin;

•.

het kind en de referent sinds de geboorte van het kind het hoofdverblijf niet buiten Nederland hebben verplaatst; en

•.

het kind voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 3.23, vierde en vijfde lid, Vb.

Ook in deze situatie wijst de IND de aanvraag niet af wegens het niet bereid zijn een onderzoek naar of behandeling voor TBC te ondergaan en daaraan niet mee te werken

3.4 Gezinshereniging bij minderjarige houder verblijfsvergunning asiel

3.4.1 Leeftijd van de referent

De IND verleent de verblijfsvergunning als bedoeld in 3.24a Vb niet als de referent 18 jaar of ouder is, tenzij de referent wegens de ontwikkeling van zijn geestelijke vermogens door de Nederlandse rechter onder curatele is gesteld of er een bewindvoerder is aangesteld of er een mentorschap is ingesteld, als bedoeld in artikelen 378, 431 en 450 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek.

3.4.2 Alleenstaand

De referent wordt niet als alleenstaand als bedoeld in artikel 3.24a, eerste lid, Vb aangemerkt als hij onder de hoede staat van een krachtens wettelijk voorschrift of gewoonterecht voor hem verantwoordelijke volwassene.

De IND wijst de aanvraag niet af op grond van artikel 3.24a, eerste lid, Vb vanwege het feit dat de referent niet alleenstaand is, als door de Nederlandse rechter een in Nederland gevestigde persoon of instelling als voogd is benoemd, tenzij de voogd een bloedverwant in de rechtstreeks opgaande lijn is.

3.5 Gezinsleden van een verblijfsvergunninghouder medische behandeling

De IND kan op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb een verblijfsvergunning verlenen aan de volgende in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden, van een houder van een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’, als genoemd in artikel 3.14, sub a en c, Vb:

•.

de huwelijks- of (geregistreerde) partner die 21 jaar of ouder is;

•.

de biologische of juridische kinderen die onder rechtmatig gezag van de referent vallen.

Als de referent een minderjarig kind is, verleent de IND op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb uitsluitend een verblijfsvergunning aan de volgende in Nederland verblijvende of meereizende gezinsleden:

•.

de biologische of juridische ouders, als het kind onder rechtmatig gezag staat van deze ouders;

•.

de minderjarige broers en zussen die feitelijk behoren tot het gezin, als de IND aan hun biologische of juridische ouders een verblijfsvergunning heeft verleend als gezinsleden van een houder van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘voor medische behandeling’. De minderjarige broers en zussen staan onder rechtmatig gezag van de biologische of juridische ouders.

Middelen van bestaan

Op grond van artikel 3.46, vierde lid, Vb wijst de IND de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet af omdat de referent niet duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan, als de referent in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’ die verleend is nadat gedurende ten minste een jaar, direct voorafgaand aan de aanvraag van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’, tegen de uitzetting beletselen hebben bestaan als bedoeld in artikel 64 Vw.

3.6 Buitenlandse adoptiekinderen en adoptiefkinderen

3.6.1 Buitenlandse adoptiekinderen

De IND maakt een onderscheid tussen buitenlandse adoptiekinderen en buitenlandse adoptiefkinderen (zie paragraaf 3.6.4).

De IND verstaat onder buitenlandse adoptiekinderen:

•.

niet Nederlandse en in de zin van de Nederlandse wet minderjarige kinderen;

•.

die buiten Nederland zijn geboren; en

•.

in Nederland met het oog op adoptie in een ander gezin dan het ouderlijke worden of zullen worden verzorgd en opgevoed in zodanige omstandigheden dat de verzorgers de plaats van de ouders innemen.

De IND toetst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van een buitenlands adoptiekind aan artikel 3.26, eerste lid, Vb als sprake is van één van de volgende omstandigheden:

•.

in Nederland moet (alsnog) in de adoptie worden voorzien;

•.

de buitenlandse rechter heeft ingestemd met de plaatsing van het kind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders maar hij moet de definitieve adoptie nog uitspreken; of

•.

erkenning van de buitenlandse adoptiebeslissing door de Nederlandse rechter op grond van artikel 10:109 BW moet nog plaatsvinden; of

•.

de buitenlandse adoptiebeslissing kan niet op grond van het Haags adoptieverdrag of op grond van artikel 10:103 t/m artikel 10:112 BW worden erkend; of

•.

de rechtsgeldigheid van de buitenlandse adoptiebeslissing is nog niet door de Nederlandse rechter bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing erkend, in de situatie dat de aspirant- adoptiefouders die hun woon- of verblijfplaats in Nederland hebben niet de procedure hebben gevolgd zoals vereist op grond van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka).

3.6.2 Wobka

De IND verleent de verblijfsvergunning regulier onder de beperking familie- of gezinslid als aan alle volgende vereisten van de Wobka als bedoeld in artikel 3.26, eerste lid, Vb is voldaan:

•.

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (die Rechtsbescherming in zijn portefeuille heeft) heeft een beginseltoestemming afgegeven (artikel 2 Wobka);

•.

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (die Rechtsbescherming in zijn portefeuille heeft) heeft ingestemd met de opneming van het buitenlandse adoptiekind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders;

•.

er is een medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse adoptiekind (artikel 8, aanhef en onder b, Wobka) overgelegd waaruit blijkt dat het kind niet lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte. Dit vereiste zal er niet toe leiden dat een gehandicapt kind nooit zou kunnen worden opgenomen. Als uit de medische verklaring blijkt dat het kind al op tbc is getest, hoeft het kind niet alsnog (hier te lande) een onderzoek naar tbc te ondergaan, voor zover dit onderzoek op grond van zijn nationaliteit vereist is;

•.

de afstand door de biologische ouder(s) van het buitenlandse adoptiekind is naar behoren geregeld (artikel 8, aanhef onder d, Wobka); en

•.

de autoriteiten in het land van herkomst stemmen in met de opneming van het buitenlandse adoptiekind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders (artikel 8, aanhef en onder e, Wobka).

De IND wijst de aanvraag af als bij het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding de identiteit van het buitenlandse adoptiekind niet op een andere manier is aangetoond.

Versnelde procedure

De IND handelt de aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf ten behoeve van het adoptiekind versneld – binnen twee weken – af als deze wordt ingediend door de bemiddelende, vergunninghoudende instantie namens de aspirant-adoptiefouders.

Nadat de IND heeft gecontroleerd of de beginseltoestemming is afgegeven en de Statement of approval (bij Verdragsadopties) dan wel de beginseltoestemming op naam (bij niet Verdragsadopties) en de leges zijn betaald, geeft de IND de toestemming aan de Nederlandse vertegenwoordiging in het land van herkomst voor afgifte van de machtiging tot voorlopig verblijf. Hierbij geldt het voorbehoud dat de volgende bewijsmiddelen worden overgelegd bij de Nederlandse vertegenwoordiging:

•.

de afstandsverklaring van de biologisch ouders;

•.

de verklaring van de bevoegde autoriteiten waaruit moet blijken dat zij hebben ingestemd met de opneming van het buitenlandse adoptiekind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders;

•.

de medische verklaring, niet ouder dan zes maanden, waaruit moet blijken dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat het adoptiekind niet lijdt aan een gevaarlijke of besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte.

De betrokken Nederlandse vertegenwoordiging controleert of de afstandsverklaring van de biologische ouders, de verklaring van de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst, waaruit moet blijken dat de autoriteiten van het land van herkomst hebben ingestemd met de opneming van het buitenlandse adoptiekind in het gezin van de aspirant-adoptiefouders en de medische verklaring aanwezig zijn.

Als er bij de Nederlandse vertegenwoordiging twijfel bestaat over de juistheid van bovengenoemde documenten, legt de Nederlandse vertegenwoordiging de zaak aan de IND voor. De IND stelt nader onderzoek in en beslist op basis van het onderzoeksresultaat of de machtiging tot voorlopig verblijf kan worden afgegeven door de Nederlandse vertegenwoordiging.

3.6.3 Afwachten van het onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders

Als het buitenlandse adoptiekind, als bedoeld in artikel 3.27 Vb, op het tijdstip van de inreis in Nederland sinds meer dan een jaar verblijft bij de aspirant-adoptiefouders en door hen wordt verzorgd en opgevoed, vindt er geen onderzoek meer plaats naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders. De IND merkt het buitenlands adoptiekind dan aan als een minderjarig juridisch kind als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid aanhef en onder c, Vb, mits wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.27, eerste lid aanhef en onder a en b. Vb. In dat geval beoordeelt de IND de toelating van het kind aan de hand van artikelen 3.13 t/m 3.22 Vb.

De IND wijst de aanvraag af als bij het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding de identiteit van het buitenlandse adoptiekind niet op een andere manier is aangetoond.

3.6.4 Buitenlandse adoptiefkinderen

Een adoptiefkind is een juridisch kind als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder c, Vb.

Onder buitenlands adoptiefkind wordt verstaan een niet Nederlands en in de zin van de Nederlandse wet minderjarig kind:

•.

van wie de buitenlandse adoptiebeslissing op grond van het Haags adoptieverdrag van rechtswege wordt erkend;

•.

van wie de buitenlandse adoptiebeslissing op grond van artikel 10:108 BW van rechtswege wordt erkend;

•.

van wie de buitenlandse adoptiebeslissing op grond van artikel 10:109 BW door de Nederlandse rechter is erkend;

•.

van wie de rechtsgeldigheid van de buitenlandse adoptiebeslissing door de Nederlandse rechter bij een niet meer voor hogere voorziening vatbare beslissing is erkend, in de situatie dat de adoptiefouders die hun woon- of verblijfplaats in Nederland hebben niet de procedure hebben gevolgd zoals vereist op grond van de Wobka; of

•.

dat in Nederland is geadopteerd.

De IND beoordeelt de toelating van buitenlandse adoptiefkinderen aan de hand van artikelen 3.13 t/m 3.22a Vb.

3.7 Buitenlandse pleegkinderen

Algemeen

De IND beschouwt als buitenlandse pleegkinderen vreemdelingen die:

•.

om andere redenen dan adoptie in hun belang naar Nederland worden overgebracht; en

•.

worden geplaatst in een pleeggezin waarbij de pleegouders feitelijk de plaats van de biologische of juridische ouders innemen.

Daarbij kan sprake zijn van een situatie dat het pleegkind:

•.

in het land van herkomst nog geen deel uitmaakte van het gezin van de aspirant-pleegouders (zie verder paragraaf B7/3.7.1 Vc); of

•.

in het land van herkomst al feitelijk behoorde tot het gezin van de pleegouders en hier nog steeds toe behoort (zie verder paragraaf B7/3.7.2 Vc).

3.7.1 Het kind maakte in het land van herkomst nog geen deel uit van het gezin van de aspirant-pleegouders

3.7.1.1 Geen aanvaardbare toekomst

De IND neemt aan dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst, als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb is weggelegd in het land van herkomst, als sprake is van zodanige omstandigheden, dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd.

Onder naaste bloed- of aanverwanten wordt verstaan de ouders, grootouders, broers of zusters, van het buitenlandse pleegkind of de broers of zusters van de ouders van het buitenlandse pleegkind (ooms en tantes van het buitenlandse pleegkind).

De IND neemt niet aan dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb als het kind verblijft bij zijn ouders in minder welvarende omstandigheden, voor zover die omstandigheden ter plaatse als normaal zijn te beschouwen.

De IND wijst de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af als uit de medische verklaring met betrekking tot het buitenlandse pleegkind, genoemd in artikel 3.28, derde lid, Vb, blijkt dat het kind lijdt aan een gevaarlijke besmettelijke of langdurige lichamelijke of geestelijke ziekte.

Dit vereiste zal er echter niet toe leiden dat een gehandicapt kind nooit zou kunnen worden opgenomen. Als uit de medische verklaring blijkt dat het kind al op TBC is getest, hoeft het kind niet alsnog (hier te lande) een onderzoek naar TBC te ondergaan, voor zover dit onderzoek op grond van zijn nationaliteit vereist is.

3.7.1.2 Aanvullende voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

In aanvulling op de in artikel 3.28 Vb opgenomen voorwaarden, verleent de IND een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking familie- of gezinslid, als wordt voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:

1.

het buitenlandse pleegkind een bloed- of aanverwant is als bedoeld in artikel 1:3 BW van de referent;

a.

de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) van het kind stemmen in met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders; óf

b.

de autoriteiten van het land van herkomst stemmen in met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders, in het geval dat de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) overleden zijn of een onbekende verblijfplaats hebben; en

3.

de voogdij van de aspirant-pleegouder(s) over het kind is geregeld door de bevoegde autoriteiten.

Ad 1.

De referent moet een grootouder, broer of halfbroer, zuster of halfzuster, schoonzus of zwager, of oom of tante van het pleegkind zijn.

Ad 2.

Alleen als het recht van het land van herkomst dit vereist, is zowel instemming van de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) als instemming van de autoriteiten van het land van herkomst vereist.

3.7.2 Het kind behoorde in het land van herkomst feitelijk reeds tot het gezin van de pleegouders

3.7.2.1 Geen aanvaardbare toekomst

De IND neemt aan dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst, als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, Vb is weggelegd in het land van herkomst, als het kind:

•.

in het land van herkomst al feitelijk behoorde tot het gezin van de pleegouders en hier nog steeds toe behoort; en

•.

minimaal één jaar in het land van herkomst is verzorgd en opgevoed door de pleegouders omdat de eigen ouders overleden zijn of niet in staat waren om voor het kind te zorgen.

De IND neemt aan dat het kind feitelijk behoort en al in het buitenland behoorde tot het gezin van de pleegouders als tussen het kind en de pleegouders sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM (zie paragraaf B7/3.8.1 Vc).

De pleegouders hoeven geen bloed- of aanverwant te zijn van het kind.

3.7.2.2 Aanvullende voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

In aanvulling op de in artikel 3.28 Vb opgenomen voorwaarden, verleent de IND uitsluitend een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking familie- of gezinslid, als ook wordt voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:

•.

de pleegouders die het kind minimaal een jaar hebben verzorgd en opgevoed in het land van herkomst hebben in die periode de voogdij over het kind gekregen;

•.

de voogdij van de aspirant-pleegouder(s) over het kind is geregeld door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst; en

•.

de autoriteiten van het land van herkomst stemmen in met het vertrek naar en het verblijf van het kind in het gezin van de pleegouders in Nederland.

3.7.3 Meetellen gezinsinkomen

De IND telt de zelfstandige en duurzame middelen van bestaan van de partner van de referent mee bij het beoordelen van de middelen van bestaan van de referent als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

•.

de referent en diens partner zijn gehuwd of een (geregistreerd) partnerschap aangegaan;

•.

de partner van de referent is een Nederlander of een persoon die rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder a tot en met e of l, Vw; en

•.

de referent en diens partner wonen samen.

De IND beschouwt in deze gevallen de middelen van bestaan als voldoende in de zin van artikel 3.22, eerste lid, Vb, als het gezamenlijke inkomen gelijk is aan het referentiebedrag als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, Vb.

De IND kan de referent op grond van zijn of haar eigen situatie vrijstellen van het middelenvereiste op grond van artikel 3.22, tweede lid, Vb of de in B7/2.1.1 opgenomen gronden, ongeacht de omstandigheid dat deze in gezinsverband leeft met een (huwelijks)partner.

3.8 Familie of gezinsleven als bedoeld in Artikel 8 EVRM

3.8.1 Familie- of gezinsleven

De IND verleent een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het uitoefenen van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM op grond van artikel 3.13, tweede lid, Vb.

De IND neemt in ieder geval aan dat sprake is van familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM tussen:

•.

echtgenoten in een reëel huwelijk (lawful and genuine marriage);

•.

partners in een reële en in voldoende mate met een huwelijk op een lijn te stellen (homo- of heteroseksuele) relatie;

•.

ouders en hun uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie geboren minderjarige kinderen; of

•.

minderjarige broers en zussen, die bloedverwant zijn en die in hetzelfde gezin hebben samengeleefd.

De IND neemt in ieder geval familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen een minderjarig kind en zijn:

•.

erkenner;

•.

biologische vader (wiens kind niet uit een reëel huwelijk of niet-huwelijkse relatie is geboren);

•.

adoptiefouder(s);

•.

pleegouder(s);

•.

opvangouder(s);

•.

stiefouder(s);

•.

grootouder(s);

•.

oom/ tante;

•.

neef/nicht;

•.

minderjarige broer of zus met wie bloedverwantschap bestaat en met wie niet in hetzelfde gezin is samengeleefd;

•.

minderjarige broer of zus met wie geen bloedverwantschap bestaat; of

•.

meerderjarige broer of zus,

als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden.

De IND neemt familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM aan tussen meerderjarigen als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen.

De IND neemt aan dat het familie- of gezinsleven tussen (geregistreerde en huwelijks)partners eindigt met de feitelijke verbreking van de (huwelijkse) relatie.

3.8.2 Inmenging

De IND neemt inmenging in het familie- en gezinsleven aan, als:

•.

de vreemdeling ooit in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning;

•.

aan de vreemdeling een inreisverbod wordt opgelegd; of

•.

de vreemdeling met toepassing van artikel 67 Vw ongewenst wordt verklaard.

3.8.3 Belangenafweging

Om te kunnen bepalen of weigering van (voortzetting van) het verblijf van de vreemdeling in strijd is met artikel 8 EVRM, neemt de IND alle relevante feiten en omstandigheden in ogenschouw en brengt deze tot uitdrukking in een belangenafweging. Welke belangen de IND bij de belangenafweging betrekt, hangt af van de concrete individuele casus. Van belang is dat het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval, die per casus verschilt. Aangezien het gaat om de beoordeling en afweging van diverse belangen van verschillende aard, heeft de IND hierbij een zekere beoordelingsvrijheid.

Bij de weigering van voortgezet verblijf is de uitgangspositie van de vreemdeling sterker dan bij eerste toelating van de vreemdeling tot het Nederlandse grondgebied. De omstandigheid dat nooit sprake is geweest van rechtmatig verblijf betrekt de IND ten nadele van de vreemdeling bij deze belangenafweging.

Dit laat onverlet dat ook als geen sprake is van inmenging de IND een belangenafweging maakt tussen de belangen van de Staat en die van de vreemdeling.