Nederlandse wetgeving

Paragraaf B4/3

geldend

Seizoenarbeid · Arbeid tijdelijk

Vreemdelingencirculaire 2000 (B) · Hoofdstuk B4 · Geldig vanaf 2026-07-01

Bron

3.1 Beleidsregels

Risico op illegale migratie

De IND neemt in ieder geval aan dat de vreemdeling een risico vormt op illegale migratie, als bedoeld in artikel 3.30c, tweede lid, Vb, wanneer de vreemdeling in de periode van 3 jaar voorafgaand aan de aanvraag eerder illegaal in Nederland heeft verbleven.

Middelen van bestaan

De IND neemt aan dat de vreemdeling die seizoenarbeid verricht zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan in de zin van artikel 3.74, eerste lid, Vb juncto artikel 3.19, eerste lid, VV als het UWV een positief advies heeft afgegeven voor de te verrichten arbeid.

Beslistermijn

De IND beslist op grond van 2u, eerste lid Vw binnen 90 dagen na ontvangst van een aanvraag om verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf voor ‘seizoenarbeid’.

Uitzondering daarop is de aanvraag om verlening of wijziging van een machtiging tot voorlopig verblijf voor ‘seizoenarbeid’ van een vreemdeling, die binnen 5 jaar een herhaalde aanvraag voor seizoenarbeid indient. In dat geval beslist de IND binnen 60 dagen.

3.2 Beperking, arbeidsmarktaantekening en geldigheidsduur

Beperking

Op grond van artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder f, Vb verleent de IND de verblijfsvergunning onder de beperking: ‘seizoenarbeid’.

Arbeidsmarktaantekening

Op grond van artikel 3.1, vijfde lid, aanhef en onder m, VV luidt de arbeidsmarktaantekening op het verblijfsdocument: ‘Arbeid toegestaan conform aanvullend document’.

Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.58, eerste lid, aanhef en onder f, Vb verleent de IND de GVVA met een geldigheidsduur van maximaal 24 weken. De geldigheidsduur van de GVVA eindigt in overeenstemming met het advies van het UWV.

3.3 Bewijsmiddelen

De IND beschouwt een positief advies van UWV als bewijsmiddel dat met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend en dat de vreemdeling met de arbeid in loondienst zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.