Paragraaf A2/10
geldendVerplichtingen in het kader van toezicht · Toezicht
10.1 Verlenen van medewerking aan identificatie
In ieder geval de volgende vreemdelingen hebben de plicht een gezichtsopname en vingerafdrukken te laten afnemen door de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen:
vreemdelingen die op illegale wijze Nederland zijn binnengekomen en/of tegen wie een onderzoek naar de identiteit moet worden ingesteld;
vreemdelingen tegen wie – met het oog op de toepassing van de Vw – een onderzoek naar hun criminele en/of ongunstige politieke antecedenten moet worden ingesteld;
vreemdelingen bij wie een voorschrift aan de verblijfsvergunning wordt verbonden in het belang van de openbare orde en/of de nationale veiligheid;
vreemdelingen aan wie een individuele verplichting tot periodieke aanmelding wordt opgelegd (zie artikel 54, derde lid, Vw);
vreemdelingen aan wie een vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd (zie artikel 56 Vw);
vreemdelingen die ongewenst worden of zijn verklaard (zie artikel 67 Vw);
vreemdelingen aan wie een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd (zie artikel 59 Vw);
vreemdelingen die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel hebben ingediend;
vreemdelingen wie de IND een bijzondere aanwijzing heeft gegeven.
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen moet voor het afnemen van vingerafdrukken alle handelingen verrichten, als vermeld in paragraaf A2/3 Vc.
10.2 Verplichting tot het verstrekken van gegevens
De Korpschef of de Commandant der KMar moet een mondelinge of schriftelijke vordering aan een vreemdeling tot het verstrekken van gegevens zoals bedoeld in artikel 4.38 Vb, in een voor de vreemdeling begrijpelijke taal doen.
De ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen mag een vreemdeling die beschikt over een verblijfsdocument niet verplichten informatie zoals bedoeld in artikel 4.38 Vb te verstrekken. Alleen in het geval er gerechtvaardigde aanleiding is te veronderstellen dat de vreemdeling voorschriften op het gebied van toezicht op vreemdelingen niet is nagekomen en/of niet (meer) voldoet aan de beperking die aan de verblijfsvergunning is verbonden, moet de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen de vreemdeling daarover ondervragen.
Personen die aan een vreemdeling, zoals bedoeld in artikel 4.40 Vb, verblijf voor de nacht verschaffen, moeten daarvan mededeling doen aan de Korpschef van de gemeente van het nachtverblijf of de Commandant der KMar. De manier waarop deze mededeling wordt gedaan is vormvrij.
De IND heeft de bevoegdheid schriftelijk een bijzondere aanwijzing aan de Korpschef of de Commandant der KMar te geven over het verstrekken van gegevens van een vreemdeling door een werkgever op grond van artikel 4.41 Vb. De Korpschef of de Commandant der KMar moet een vordering aan de werkgever van de vreemdeling tot het verstrekken van gegevens van de vreemdeling overhandigen of per aangetekende brief verzenden aan de werkgever.
De Korpschef of de Commandant der KMar moet in de vordering aan de werkgever alle volgende onderdelen vermelden:
welke gegevens de werkgever moet verstrekken;
op welke wijze de werkgever de gegevens moet verstrekken;
binnen welke termijn de werkgever de gegevens moet verstrekken;
(eventueel) ten aanzien van welke categorieën vreemdelingen de werkgever de gegevens moet verstrekken.
De werkgever moet op vordering tot het verstrekken van gegevens, de Korpschef of de Commandant der KMar in ieder geval de volgende gegevens verstrekken:
naam van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;
voorna(a)m(en) van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;
geboortedatum en -plaats van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;
nationaliteit van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;
datum van indiensttreding van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever;
woonplaats en adres van de werknemer(s) die in dienst zijn of in dienst zijn geweest bij de werkgever.
De Korpschef of de Commandant der KMar van de gemeente waar het bedrijf van de werkgever is gevestigd, doet de vordering tot het verstrekken van gegevens over vreemdelingen die bij de werkgever in dienst zijn of in dienst zijn geweest. De Korpschef of Commandant der KMar moet overleg voeren en gegevens van deze vreemdelingen uitwisselen met de Korpschef of de Commandant der KMar van de gemeente waar de vreemdelingen woonachtig zijn.
10.3 Meldplicht
10.3.1 Meldplicht in het kader van toelatingsprocedures
De Korpschef of de Commandant der KMar informeert de vreemdeling die kenbaar heeft gemaakt een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel te willen indienen of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend, dat op hem, in afwachting van de beslissing op zijn aanvraag, een meldplicht bij de Korpschef rust (zie artikel 54, eerste lid, onder f, Vw juncto artikel 4.51, eerste lid, onder b, Vb). De vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel kenbaar heeft gemaakt of heeft ingediend, wordt een meldplicht kenbaar gemaakt door gebruik te maken van het model M117-A. Het model M117-A dient ook als proces-verbaal van uitreiking van de meldplicht aan de vreemdeling.
De Korpschef of de Commandant der KMar:
stelt de vreemdeling in kennis dat op hem een periodieke meldplicht rust door uitreiking van het model M117-A;
moet de vreemdeling wijzen op wijzigingen over zijn meldplicht;
moet de vreemdeling wijzen op de verplichtingen die op hem van toepassing zijn, zoals aangegeven in het aan hem uitgereikte model M117-A; en
mag naar eigen oordeel afwijken van de instructies voor oplegging van de meldplicht.
De Korpschef:
mag de ontheffing van de meldplicht beëindigen als ontheffing niet langer gewenst is;
mag naar eigen oordeel afwijken van de instructies voor ontheffing van de meldplicht.
Bij de ontheffing van de meldplicht gelden voor de Korpschef de volgende instructies.
De Korpschef verleent in ieder geval in de volgende situaties geen (of niet langer) ontheffing van de meldplicht aan de vreemdeling:
als voor het vreemdelingentoezicht ontheffing van de meldplicht niet (of niet langer) gewenst is;
de vreemdeling niet langer in Nederland mag verblijven.
De Korpschef verleent aan een vreemdeling die een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend uitsluitend in de volgende situaties ontheffing van de meldplicht:
tijdens het afwachten van de beslissing in eerste aanleg van een verblijfsvergunning asiel in overleg met de IND;
als de vreemdeling minderjarig is, jonger dan twaalf jaar en geen amv is.
10.3.2 Meldplicht in het kader van terugkeer
De Korpschef legt de vreemdeling die zich niet rechtmatig in Nederland bevindt en zich conform artikel 54, eerste lid onder f, Vw juncto artikel 4.51, eerste lid Vb meldt, het tijdstip en de plaats van melden op. Deze meldplicht gaat gepaard met terugkeerbegeleiding door DTenV. Het opleggen van de meldplicht met terugkeerbegeleiding kan worden gecombineerd met andere toezichtsmaatregelen.
10.3.3 Onttrekking meldplicht
Voor iedere meldplicht geldt: De Korpschef vordert de vreemdeling aan wie een periodieke meldplicht is opgelegd en die zich twee achtereenvolgende keren niet heeft gehouden aan de periodieke meldplicht, om in persoon gegevens te verstrekken over de onttrekking aan de periodieke meldplicht. Als de vreemdeling niet reageert, mag de Korpschef concluderen dat de vreemdeling Nederland heeft verlaten of zich definitief aan het toezicht heeft onttrokken en meldt de vreemdeling af in de vreemdelingenadministratie.
Voor vreemdelingen die in een opvangvoorziening verblijven, laat de Korpschef een adrescontrole door de politie uitvoeren. De politie moet het daadwerkelijke vertrek van de vreemdeling vaststellen. De Korpschef mag concluderen dat de vreemdeling definitief is vertrokken als dat onomstotelijk vast is komen te staan. De Korpschef moet de IND en DTenV over het (veronderstelde) vertrek van een vreemdeling informeren door middel van een verwijzing in BVV.
10.4 Borgsom
Aan de vreemdeling op wie een vertrekplicht rust en die in ieder geval aan alle volgende voorwaarden voldoet kan, voorafgaand aan terugkeer, een borgsom worden opgelegd door DTenV:
de vreemdeling werkt aantoonbaar aan terugkeer;
de vreemdeling tekent een terugkeercontract met de DTenV waarin rechten en plichten van de vreemdeling met betrekking tot terugkeer en de borgsom zijn vastgelegd.
Het opleggen van de borgsom kan worden gecombineerd met andere toezichtsmaatregelen. Het terugkeercontract bevat in ieder geval een termijn van in beginsel 28 dagen waarbinnen de vreemdeling aan zijn vertrekplicht moet hebben voldaan. Het borgbedrag wordt in beginsel gesteld op € 1.500, DTenV kan hiervan afwijken. De borgsom wordt geretourneerd door DTenV als de vreemdeling zich meldt op de luchthaven bij de KMar en daadwerkelijk Nederland verlaat.
10.5 Veiligheidsfouillering
In artikel 55, derde lid, Vw is de bevoegdheid opgenomen tot een veiligheidsfouillering. Als uitzondering op de bevoegdheden van veiligheidsfouillering geldt dat de ambtenaar belast met de grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen, vreemdelingen jonger dan twaalf jaar niet aan een veiligheidsfouillering mag onderwerpen.