Artikel 4
geldendVerkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege
In afwijking van artikel 3 wordt Nederlander het kind van een persoon van wie het ouderschap gerechtelijk wordt vastgesteld, indien het kind op de dag van de uitspraak in eerste aanleg minderjarig was en de ouder op de in de volgende zin bedoelde dag Nederlander is, of, indien deze is overleden, op de dag van overlijden Nederlander was. Betreft het een Nederlandse uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de eerste dag na een periode van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in eerste aanleg of, indien binnen deze periode hoger beroep is ingesteld, van drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak in hoger beroep, dan wel, indien binnen deze laatste periode beroep in cassatie is ingesteld, op de dag van de uitspraak in cassatie. Betreft het een buitenlandse rechterlijke uitspraak dan verkrijgt het kind het Nederlanderschap op de dag waarop deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen.
Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander wordt erkend.
Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die zonder erkenning door wettiging het kind wordt van een Nederlander.
Door erkenning wordt ook Nederlander de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte wordt erkend door een Nederlander, die zijn biologische ouderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont.
Kinderen van de minderjarige vreemdeling die op grond van het eerste, derde of vierde lid het Nederlanderschap verkrijgt, delen in die verkrijging.
Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het in het vierde lid bedoelde bewijs.
Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin dit artikel wordt toegepast.
Bij besluit van 30 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. [appellant] heeft de Surinaamse nationaliteit. Hij heeft vanaf 4 januari 2019 een verblijfsvergunning regulier voor verblijf bij zijn Nederlandse partner. Vanaf 4 maart 2019 staan [appellant] en zijn partner in de Basisregistratie Personen ingeschreven op hetzelfde adres. [appellant] heeft door familieomstandigheden van 2 juli 2022 tot en met 9 maart 2023 in Suriname verbleven. Zijn partner is met hem naar Suriname gereisd en na een paar weken weer terug naar Nederland gegaan. [appellant] heeft op 13 juli 2023 het naturalisatieverzoek ingediend. De staatssecretaris heeft het naturalisatieverzoek afgewezen, omdat [appellant] in de vijf jaar onmiddellijk voorafgaand aan het naturalisatieverzoek niet onafgebroken zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 12 juli 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de aanvraag van [appellante] voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen. [appellante] heeft de Marokkaanse nationaliteit en is op [geboortedatum] 2003 geboren in Marokko uit een bigaam huwelijk. Haar vader heeft de Nederlandse nationaliteit en haar moeder de Marokkaanse nationaliteit. Op 16 juni 2022 heeft [appellante] een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Rabat, Marokko. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat [appellante] meerderjarig was toen zij door haar vader op 20 april 2022 werd erkend en daarom niet door de erkenning de Nederlandse nationaliteit heeft verworven. De minister heeft de aanvraag van [appellante] voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen, omdat zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit wat op grond van artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet is vereist. [appellante] is geboren staande een bigaam huwelijk. Dit bigame huwelijk heeft wegens strijd met de openbare orde naar Nederlands recht geen rechtsgevolgen en biedt dus geen basis voor het bestaan van familierechtelijke betrekkingen tussen [appellante] en haar vader.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 19 juni 2017 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de door [appellant A] ten behoeve van [appellant B] ingediende aanvraag om verlening van een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen. [appellant A] heeft een aanvraag om verlening van een Nederlands paspoort ingediend ten behoeve van [appellant B]. [appellant B] is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Ghanese nationaliteit. Ten tijde van de aanvraag was hij zestien jaar oud. Hij heeft altijd met zijn moeder in Ghana gewoond. Zijn moeder en [appellant A] zijn niet met elkaar gehuwd geweest. [appellant B] is dus buiten het huwelijk geboren. De moeder heeft de geboorte van [appellant B] aangegeven; daarom staat zij in de op 10 oktober 2000 opgemaakte geboorteakte als informant vermeld. Zij heeft in de geboorteakte laten vermelden dat [appellant A] de vader is. [appellant A] is eveneens afkomstig uit Ghana. Hij werd in 1976 voor het eerst ingeschreven in Nederland en heeft in 1987 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Deze uitspraak draait om de vraag of tussen [appellant A] en [appellant B] door erkenning een juridische afstammingsrelatie is ontstaan en of [appellant B] daardoor het Nederlanderschap heeft verkregen.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 26 april 2021 heeft de minister van Buitenlandse Zaken te kennen gegeven de aanvraag van [appellant sub 1] om een Nederlands paspoort voor zijn zoon [appellant sub 2] niet in behandeling te nemen. [appellant sub 2] is op [datum] 2003 in [geboorteplaats]) geboren. Zijn moeder is Indonesisch en in zijn geboorteakte staat geen vader vermeld. [appellant sub 2] heeft bij de geboorte de Indonesische nationaliteit verkregen, omdat dit de nationaliteit van zijn moeder is. [appellant sub 1] was niet met de moeder van [appellant sub 2] gehuwd. Voor [appellant sub 2] is op 14 april 2021 bij de Nederlandse ambassade in Jakarta (Indonesië) een Nederlands paspoort aangevraagd. Voor deze aanvraag heeft [appellant sub 1] als vader een ‘Toestemming ouder(s) voor minderjarige aanvrager(s)’ ingevuld. Hij heeft bij de paspoortaanvraag van [appellant sub 2] een DNA-rapport overgelegd, waaruit volgt dat [appellant sub 1] met een waarschijnlijkheid van 99,999999% de biologische vader van [appellant sub 2] is. De minister heeft de paspoortaanvraag van [appellant sub 2] niet in behandeling genomen, omdat [appellant sub 2] niet in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.
Uitspraak op rechtspraak.nlBij besluit van 13 april 2021 heeft de staatssecretaris het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken. Deze intrekking heeft ook tot gevolg dat [naam kind], het kind van [appellant] en zijn ex-vriendin [ex-vriendin], bij de geboorte niet het Nederlanderschap heeft verkregen. De staatssecretaris heeft het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken krachtens artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. De staatssecretaris heeft hiervoor als reden gegeven dat uit onderzoek is gebleken dat [appellant] eigenlijk [andere achternaam] heet en is geboren op [geboortedatum] 1985. Volgens de staatssecretaris zou hij de asielaanvraag van [appellant] hebben afgewezen als hij dit had geweten. Ook zou aan [appellant] vervolgens nooit het Nederlanderschap zijn verleend. De staatssecretaris heeft zijn standpunt gebaseerd op foto’s van een Iraanse identiteitskaart. Deze identiteitskaart is afgegeven op naam van [andere achternaam], geboren op [geboortedatum] en voorzien van een pasfoto van [appellant]. Als naam van de vader is vermeld ‘[voornaam vader]’, de voornaam die [appellant] heeft genoemd tijdens het eerste asielgehoor.
Uitspraak op rechtspraak.nl