Nederlandse wetgeving

Artikel 3

geldend

Verkrijging van het Nederlanderschap van rechtswege

Rijkswet op het Nederlanderschap · Hoofdstuk 2 · Geldig vanaf 2010-10-10

Bron
1.

Nederlander is het kind waarvan ten tijde van zijn geboorte de vader of de moeder Nederlander is, alsmede het kind van een Nederlander die voordien is overleden.

2.

Het op het grondgebied van Nederland, onderscheidenlijk Aruba, Curaçao of Sint Maarten, of aan boord van een in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten te boek gesteld zeeschip of luchtvaartuig, gevonden kind wordt aangemerkt als het kind van een Nederlander tenzij binnen vijf jaren, te rekenen vanaf de dag waarop het is gevonden, blijkt dat het kind door geboorte een vreemde nationaliteit bezit.

3.

Nederlander is het kind van een vader of moeder die ten tijde van de geboorte van het kind zijn of haar hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten en die zelf geboren is als kind van een vader of moeder die ten tijde van zijn of haar geboorte in een van die landen hoofdverblijf had, mits het kind ten tijde van zijn geboorte zijn hoofdverblijf heeft in Nederland, Aruba, Curaçao of Sint Maarten.

Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin dit artikel wordt toegepast.

2025-12-10 · ECLI:NL:RVS:2025:5978

Bij besluit van 12 juli 2022 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de aanvraag van [appellante] voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen. [appellante] heeft de Marokkaanse nationaliteit en is op [geboortedatum] 2003 geboren in Marokko uit een bigaam huwelijk. Haar vader heeft de Nederlandse nationaliteit en haar moeder de Marokkaanse nationaliteit. Op 16 juni 2022 heeft [appellante] een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Rabat, Marokko. De minister heeft de aanvraag niet in behandeling genomen, omdat [appellante] meerderjarig was toen zij door haar vader op 20 april 2022 werd erkend en daarom niet door de erkenning de Nederlandse nationaliteit heeft verworven. De minister heeft de aanvraag van [appellante] voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen, omdat zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit wat op grond van artikel 9, eerste lid, van de Paspoortwet is vereist. [appellante] is geboren staande een bigaam huwelijk. Dit bigame huwelijk heeft wegens strijd met de openbare orde naar Nederlands recht geen rechtsgevolgen en biedt dus geen basis voor het bestaan van familierechtelijke betrekkingen tussen [appellante] en haar vader.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2025-09-10 · ECLI:NL:RVS:2025:4307

Bij besluit van 20 januari 2022 heeft de minister een aanvraag van [appellante] om een Nederlands paspoort buiten behandeling gesteld. [appellante] is op [geboortedatum] geboren in de Verenigde Staten. Haar ouders hadden destijds de Nederlandse nationaliteit. Bij haar geboorte heeft zij zowel de Nederlandse als de Amerikaanse nationaliteit verkregen. Op 10 augustus 2021 heeft [appellante] bij de Nederlandse ambassade in Washington een aanvraag om een Nederlands paspoort ingediend. Aan de buitenbehandelingstelling van de aanvraag heeft de minister ten grondslag gelegd dat [appellante] het Nederlanderschap op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap op 19 februari 2021 van rechtswege heeft verloren, omdat haar ouders op die datum vrijwillig de Amerikaanse nationaliteit hebben verkregen en afstand van de Nederlandse nationaliteit hebben gedaan.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2025-07-30 · ECLI:NL:RVS:2025:3563

Bij besluit van 23 november 2020 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de aanvraag van [appellante] voor een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen. [appellante] is geboren op [geboortedatum] 1998 in de Verenigde Staten. Zij heeft bij haar geboorte via haar vader de Nederlandse en Canadese nationaliteit en via haar moeder de Amerikaanse nationaliteit verkregen. Haar vader heeft op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) van rechtswege op 1 april 2013 het Nederlanderschap verloren. Als gevolg hiervan heeft [appellante] als minderjarige volgens de minister ook het Nederlanderschap verloren op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder d, van de RWN. [appellante] heeft op 20 december 2019 een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Washington D.C. [appellante] betoogt dat de rechtbank de wettekst van artikel 16, tweede lid, aanhef en onder e, van de RWN verkeerd heeft uitgelegd.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2024-12-11 · ECLI:NL:RVS:2024:5118

Bij besluit van 19 juni 2017 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de door [appellant A] ten behoeve van [appellant B] ingediende aanvraag om verlening van een Nederlands paspoort niet in behandeling genomen. [appellant A] heeft een aanvraag om verlening van een Nederlands paspoort ingediend ten behoeve van [appellant B]. [appellant B] is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Ghanese nationaliteit. Ten tijde van de aanvraag was hij zestien jaar oud. Hij heeft altijd met zijn moeder in Ghana gewoond. Zijn moeder en [appellant A] zijn niet met elkaar gehuwd geweest. [appellant B] is dus buiten het huwelijk geboren. De moeder heeft de geboorte van [appellant B] aangegeven; daarom staat zij in de op 10 oktober 2000 opgemaakte geboorteakte als informant vermeld. Zij heeft in de geboorteakte laten vermelden dat [appellant A] de vader is. [appellant A] is eveneens afkomstig uit Ghana. Hij werd in 1976 voor het eerst ingeschreven in Nederland en heeft in 1987 de Nederlandse nationaliteit verkregen. Deze uitspraak draait om de vraag of tussen [appellant A] en [appellant B] door erkenning een juridische afstammingsrelatie is ontstaan en of [appellant B] daardoor het Nederlanderschap heeft verkregen.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2024-09-11 · ECLI:NL:RVS:2024:3670

Bij besluit van 13 april 2021 heeft de minister van Buitenlandse Zaken de aanvragen van [appellant A] en [appellant B] niet in behandeling genomen. [appellant A] en [appellant B] zijn op [geboortedatum] 2014 geboren in Algerije en hebben de Algerijnse nationaliteit. [vader], de vader van [appellant A] en [appellant B], heeft in januari 2000 het Nederlanderschap door naturalisatie verkregen. Op 19 maart 2013 heeft hij hiervan afstand gedaan op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rijkswet op het Nederlanderschap om in aanmerking te komen voor de remigratie-uitkering van de Sociale Verzekeringsbank. Op 1 september 2015 heeft [vader] op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder f, van de RWN het Nederlanderschap door optie weer herkregen. [moeder], de moeder van [appellant A] en [appellant B], heeft de Algerijnse nationaliteit. Op 23 maart 2021 hebben [vader] en [moeder] ten behoeve van hun zoons [appellant A] en [appellant B] een Nederlands paspoort aangevraagd bij de Nederlandse ambassade in Algiers.

Uitspraak op rechtspraak.nl