Artikel 9
geldend1. De lidstaten zorgen ervoor dat een inbreuk op het in artikel 3 bedoelde verbod als strafbaar feit wordt aangemerkt wanneer deze opzettelijk wordt gepleegd, in elk van de volgende omstandigheden als bepaald in het nationale recht:
a) de inbreuk blijft doorgaan of wordt voortdurend herhaald;
b) de inbreuk heeft betrekking op de gelijktijdige tewerkstelling van een aanzienlijk aantal illegaal verblijvende onderdanen van derde landen;
c) de inbreuk gaat gepaard met arbeidsgerelateerde uitbuiting;
d) de inbreuk wordt begaan door een werkgever die weliswaar niet beschuldigd is van of veroordeeld voor een overtreding overeenkomstig Kaderbesluit 2002/629/JBZ, maar die werk of diensten laat verrichten door een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land in de wetenschap dat deze persoon het slachtoffer van mensenhandel is;
e) de inbreuk betreft de illegale tewerkstelling van een minderjarige.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat uitlokking van en hulp en medeplichtigheid aan de in lid 1 bedoelde opzettelijke handelingen strafbaar worden gesteld als een strafrechtelijk feit.