Nederlandse wetgeving

Artikel 18

geldend

VERBLIJF IN ANDERE LIDSTATEN

Richtlijn 2009/50/EG — Europese blauwe kaart · Hoofdstuk 5 · Geldig vanaf None

Bron

1. Na achttien maanden legaal verblijf in de eerste lidstaat als houder van de Europese blauwe kaart mogen de betrokkene en zijn gezinsleden onder de in dit artikel gestelde voorwaarden naar een andere lidstaat verhuizen voor een hooggekwalificeerde baan.

2. Zo spoedig mogelijk en uiterlijk een maand na aankomst in de tweede lidstaat dient de houder van de Europese blauwe kaart of diens werkgever bij de bevoegde autoriteit van die lidstaat een aanvraag voor een Europese blauwe kaart in en legt hij alle documenten voor waaruit blijkt dat de betrokkene voor de tweede lidstaat voldoet aan de in artikel 5 gestelde voorwaarden. De tweede lidstaat kan overeenkomstig de nationale wetgeving besluiten de aanvrager niet toe te staan te werken zolang zijn bevoegde autoriteit niet positief op de aanvraag heeft beslist.

3. De aanvraag mag ook bij de bevoegde autoriteiten van de tweede lidstaat worden ingediend terwijl de houder van de Europese blauwe kaart nog op het grondgebied van de eerste lidstaat verblijft.

4. De tweede lidstaat behandelt de aanvraag overeenkomstig de in artikel 11 beschreven procedures en stelt de aanvrager en de eerste lidstaat schriftelijk in kennis van zijn beslissing om hetzij:

a) een Europese blauwe kaart af te geven en de aanvrager toe te staan op zijn grondgebied te verblijven in verband met een hooggekwalificeerde baan, indien aan de in dit artikel gestelde voorwaarden is voldaan, en onder de in artikel 7 tot en met 14 geformuleerde voorwaarden, of

b) de Europese blauwe kaart niet af te geven en de aanvrager en zijn gezinsleden overeenkomstig de nationale wettelijke procedures, met inbegrip van de verwijderingsprocedures, te verplichten het grondgebied te verlaten, indien niet aan de in dit artikel gestelde voorwaarden is voldaan. De eerste lidstaat neemt de houder van de Europese blauwe kaart en zijn gezinsleden onmiddellijk zonder formaliteiten terug. Dat geldt eveneens indien de geldigheid van de door de eerste lidstaat afgegeven Europese blauwe kaart is verstreken of de kaart tijdens de behandeling van de aanvraag is ingetrokken. Na deze terugname geldt artikel 13.

5. Wanneer de geldigheid van de door de eerste lidstaat afgegeven Europese blauwe kaart tijdens de procedure verstrijkt, kunnen de lidstaten, indien de nationale wetgeving dat vereist, voorzien in de afgifte van tijdelijke nationale verblijfsvergunningen of gelijkwaardige vergunningen zodat de aanvrager legaal op hun grondgebied kan blijven in afwachting van een beslissing over de aanvraag door de bevoegde autoriteiten.

6. De aanvrager en/of zijn werkgever kan aansprakelijk worden gesteld voor de kosten van de terugkeer en terugname van de houder van de Europese blauwe kaart en voor die van diens gezinsleden, met inbegrip van de eventuele uit openbare middelen betaalde kosten die voortvloeien uit de toepassing van lid 4, onder b).

7. Bij de toepassing van dit artikel mogen de lidstaten een maximum hanteren voor het aantal toe te laten personen als bedoeld in artikel 6.

8. Vanaf de tweede keer dat een houder van een Europese blauwe kaart en, in voorkomend geval, zijn gezinsleden, gebruik maakt van de mogelijkheid om, overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk, naar een andere lidstaat te verhuizen, wordt onder „eerste lidstaat” verstaan de lidstaat vanwaar de persoon in kwestie verhuist en onder „tweede lidstaat” de lidstaat waar hij een aanvraag tot verblijf indient.