Nederlandse wetgeving

Artikel 5

geldend

Europees Verdrag inzake de adoptie van kinderen (herzien) · Geldig vanaf 2012-10-01

Bron
1.

Onverminderd hetgeen in het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel is bepaald, wordt een adoptie uitsluitend uitgesproken indien ten minste de toestemming van de volgende personen is verkregen en niet is herroepen:

a.

van de moeder en van de vader, of indien er een vader noch een moeder is die toestemming kan geven, de toestemming van de persoon die of het orgaan dat bevoegd is vervangende toestemming te geven;

b.

van het kind dat volgens de wet geacht kan worden in staat te zijn tot een voldoende waardering van zijn belangen ter zake; een kind wordt geacht voldoende waardering van zijn belangen te hebben zodra het een wettelijk vastgestelde leeftijd heeft bereikt van ten hoogste 14 jaar;

c.

van de echtgenoot of geregistreerde partner van de adoptant.

2.

De personen wier toestemming voor de adoptie vereist is, moeten de nodige begeleiding hebben gekregen en naar behoren zijn ingelicht over de gevolgen van hun toestemming, in het bijzonder over de kwestie of de adoptie zal leiden tot beëindiging van de familierechtelijke betrekkingen tussen het kind en zijn familie van herkomst. De toestemming moet vrijelijk zijn gegeven, in de wettelijk voorgeschreven vorm en op schrift zijn gegeven of vastgelegd.

3.

De bevoegde autoriteit mag niet afzien van de toestemming van een persoon of orgaan genoemd in het eerste lid of een weigering van toestemming terzijde schuiven, behalve op wettelijk vastgestelde, bijzondere gronden. Van de toestemming van een kind met een beperking, die het belet een geldige toestemming te geven, kan evenwel worden afgezien.

4.

Indien de vader of moeder niet het ouderlijke gezag over het kind heeft of niet bevoegd is om toestemming voor de adoptie te geven, kan de wet bepalen dat het niet noodzakelijk is zijn of haar toestemming te verkrijgen.

5.

De toestemming van de moeder voor de adoptie van haar kind is geldig indien zij is gegeven na ommekomst van een door de wet bepaalde periode van ten minste zes weken na de geboorte van het kind, of indien een dergelijke termijn niet is voorgeschreven, op het tijdstip waarop zij naar het oordeel van de bevoegde autoriteit voldoende heeft kunnen herstellen van de gevolgen van de bevalling.

6.

Voor de toepassing van dit Verdrag worden onder „vader” en „moeder” verstaan de personen die volgens de wet de ouders van het kind zijn.