Nederlandse wetgeving

Artikel 13

geldend

Verblijf · De verblijfsvergunning

Vreemdelingenwet 2000 · Hoofdstuk 3 · Afdeling 2 · Geldig vanaf 2001-04-01

Bron

Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning wordt slechts ingewilligd indien:

a.

internationale verplichtingen daartoe nopen;

b.

met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, of

c.

klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin dit artikel wordt toegepast.

2025-12-01 · ECLI:NL:RVS:2025:5810

Bij besluit van 1 oktober 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld. Bij besluit van 17 mei 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 september 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. A.M.J.M. Louwerse, advocaat in Purmerend, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2025-10-31 · ECLI:NL:RVS:2025:5239

Bij besluiten van 6 december 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van appellanten 2 en 3 om hun een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld en een aanvraag van appellant 1 om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.

Uitspraak op rechtspraak.nl

2025-08-27 · ECLI:NL:RVS:2025:4130

Deze uitspraak gaat over de vraag of de zogeheten discretionaire bevoegdheid van artikel 14, eerste lid, van de Vw 2000 met een wijziging van het Vb 2000 uit 2019 is ingeperkt. Op grond van die bepaling is de minister bevoegd om ambtshalve en op aanvraag gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid om een verblijfsvergunning te verlenen onder een andere beperking dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000. Die bevoegdheid was verder uitgewerkt in artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 (oud). Appellant heeft een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘humanitair niet-tijdelijk’ ingediend. Hij wenst een verblijfsvergunning regulier wegens zijn gestelde schrijnende omstandigheden, dan wel op grond van artikel 8 van het EVRM. Hij heeft bij zijn aanvraag een beroep gedaan op vrijstelling van de leges op grond van artikel 3.34a, aanhef en onder k, van het VV 2000. Uit die bepaling volgt dat de minister vrijstelling van leges verleent, indien een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning wegens schrijnende omstandigheden. De minister heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld, omdat appellant de leges niet heeft betaald en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de leges niet kan betalen.

Uitspraak op rechtspraak.nl