Nederlandse wetgeving

Paragraaf A3/6

geldend

Uitzetting · Vertrek en uitzetting

Vreemdelingencirculaire 2000 (A) · Hoofdstuk A3 · Geldig vanaf 2026-06-12

Bron

Uitzetting van een vreemdeling vindt plaats op tenminste een van de volgende wijzen:

•.

door overdracht van de vreemdeling aan de buitenlandse grensautoriteiten;

•.

door plaatsing van de vreemdeling aan boord van een vliegtuig of schip van de onderneming die de vreemdeling naar Nederland heeft vervoerd;

•.

de vreemdeling wordt rechtstreeks of met een tussenstop uitgezet naar een land waarvan op basis van feiten en omstandigheden wordt aangenomen dat de vreemdeling daar de toegang wordt verleend.

Voor wat betreft de mogelijkheid om een vreemdeling door de DTenV te laten begeleiden bij de feitelijke terugkeer, wordt verwezen naar paragraaf A3/2 Vc.

De DTenV stelt uiterlijk 36 uur voorafgaand aan een door de DTenV georganiseerde uitzetting of gedwongen overdracht de volgende personen in kennis van de reisgegevens:

•.

de vreemdeling;

•.

de gemachtigde die de vreemdeling bijstaat in de vertrekprocedure; en (indien van toepassing);

•.

de gemachtigde die de vreemdeling bijstaat in een nog openstaande verblijfsrechtelijke procedure.

De DTenV laat enkel het informeren van de vreemdeling over de aanstaande uitzetting of gedwongen overdracht achterwege als er een risico aanwezig is dat de veiligheid of de gezondheid van de vreemdeling of diens eventuele gezinsleden door het informeren in gevaar komt. De gemachtigde van de vreemdeling wordt wel tijdig in kennis gesteld van de reisgegevens.

De DTenV is niet verplicht om de vreemdeling en/of diens gemachtigde uiterlijk 36 uur voorafgaand aan de uitzetting of gedwongen overdracht in kennis te stellen van de nieuwe reisgegevens als de uitzetting of gedwongen overdracht op het aanvankelijk geplande moment geen doorgang vindt, maar alsnog uiterlijk op de tweede dag na de dag van het geannuleerde vertrek kan plaatsvinden.

6.1 De terugkeer van niet-begeleide minderjarige

Bij terugkeer van de niet-begeleide minderjarige naar het land van herkomst of een ander land waar de niet-begeleide minderjarige heen kan gaan, moet de toegang tot adequate opvang geregeld zijn. Zolang niet vaststaat dat adequate opvang beschikbaar is (zie paragraaf B8/6.1 Vc), kan geen terugkeerbesluit worden genomen ten aanzien van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Indien nader onderzoek moet worden gedaan in dit kader, kan hangende dat onderzoek uitstel van vertrek worden verleend.

6.1.1 Uitstel van vertrek gedurende nader onderzoek naar adequate opvang

De IND verleent uitstel van vertrek aan de niet-begeleide minderjarige, als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:

•.

de niet-begeleide minderjarige heeft (ten tijde van de afwijzing van de asielaanvraag) nog niet de leeftijd van 18 jaar bereikt; en

•.

aan de niet-begeleide minderjarige kan geen terugkeerbesluit worden uitgevaardigd. De reden hiervoor is dat de niet-begeleide minderjarige niet kan terugkeren naar het land van herkomst of een ander land waar toegang redelijkerwijs is gewaarborgd, omdat niet is vastgesteld dat adequate opvang aldaar beschikbaar is.

Het uitstel van vertrek vervalt:

•.

wanneer de vreemdeling de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt; of

•.

met het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Voorwaarde hiervoor is dat uit nader onderzoek blijkt dat adequate opvang voor de niet-begeleide minderjarige in het land van herkomst of een ander land waar toegang redelijkerwijs is gewaarborgd, beschikbaar is.

De niet-begeleide minderjarige vreemdeling aan wie uitstel van vertrek is verleend, wordt geacht rechtmatig verblijf te hebben als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder j, Vw 2000.

Gedurende het uitstel van vertrek wordt de niet-begeleide minderjarige vreemdeling geacht medewerking te verlenen aan het onderzoek naar adequate opvang.

6.1.2 Na het opleggen van een terugkeerbesluit aan de niet-begeleide minderjarige

Nadat een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, dient de toegang tot adequate opvang te zijn geregeld ten tijde van het vertrek. De DTenV stelt de voogd van de niet-begeleide minderjarige op de hoogte van het besluit dat de niet-begeleide minderjarige wordt uitgezet en de wijze waarop de uitzetting plaatsvindt.

6.2 Vertrek van gezinsleden uit Nederland

Voor het vertrek van het hoofd van een gezin uit Nederland geldt dat de tot het gezin behorende vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, zoveel mogelijk met het hoofd van het gezin vertrekken. Als gezamenlijk vertrek van het gezin niet mogelijk is, mag gescheiden vertrek plaatsvinden nadat de situatie van het gezin is beoordeeld en getoetst door de DTenV.

6.3 Geen uitzetting ondanks de vertrekplicht

In de volgende gevallen vindt in ieder geval geen uitzetting van vreemdelingen plaats ondanks het feit dat de vertrekplicht van kracht is:

a.

als door een buitenlandse autoriteit de opsporing (en aanhouding ter fine van uitlevering) van een vreemdeling is of wordt gevraagd;

b.

als de vreemdeling na afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 68, derde lid, van de Procedureverordening niet het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te blijven maar op grond van artikel 68, vijfde lid, onderdeel d, van de Procedureverordening niet wordt verwijderd. Wel wordt de vreemdeling geacht mee te werken aan de voorbereiding van het vertrek. Dit omvat onder meer het voeren van vertrekgesprekken, het indienen van een aanvraag voor een laissez-passer, en het verlenen van medewerking aan een presentatie in persoon bij de diplomatieke vertegenwoordiging van het betreffende derde land ten behoeve van een vervangend reisdocument;

c.

als een vreemdeling tenminste aan een van de volgende voorwaarden voldoet:

1.

de vreemdeling is als verdachte van een misdrijf aangehouden en het strafonderzoek is niet door het OM beëindigd;

2.

de vreemdeling heeft een strafvervolging wegens een misdrijf lopen en op de strafvervolging is niet onherroepelijk beslist;

3.

de vreemdeling is tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf veroordeeld en de opgelegde straf of strafrechtelijke maatregel is niet ondergaan;

4.

aan de vreemdeling is een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de vrijheidsontnemende maatregel is niet ondergaan;

d.

als er voor de vreemdeling:

1.

een beletsel bestaat om terug te keren naar het land van herkomst in verband met ernstige schade (artikel 3 EVRM) of een gegronde vrees voor vervolging; en

2.

er ook geen ander land kan worden aangewezen waarnaar de vreemdeling kan terugkeren.

e.

als de vreemdeling naar een derde land moet vertrekken, niet zijnde zijn land van herkomst of land van doorreis.

In de onder c genoemde vier situaties mag wel tot uitzetting worden overgegaan als het OM of het CJIB hiertegen binnen drie werkdagen geen bezwaar maakt.

In de situatie gemeld onder d. wordt in het terugkeerbesluit opgenomen dat:

•.

de vreemdeling Nederland, het grondgebied van de EU (met uitzondering van Ierland), EER en Zwitserland moet verlaten binnen een gestelde vertrektermijn;

•.

de vreemdeling niet zal worden uitgezet naar het land van herkomst; en

•.

het voornemen tot uitzetting wel blijft bestaan.

Als in de situatie gemeld onder d. op een later moment wordt vastgesteld dat artikel 3 EVRM zich niet meer verzet tegen uitzetting van de vreemdeling dan wel dat de vreemdeling niet langer te vrezen heeft voor vervolging, neemt de IND een besluit waaruit blijkt dat er niet langer een terugkeerbeletsel is. Dit besluit maakt de IND kenbaar aan de vreemdeling. Hiertegen kan de vreemdeling rechtsmiddelen aanwenden.

6.4 Uitzetting tijdens een (lastminute)verblijfsaanvraag

Met name als de vreemdeling kort vóór de geplande uitzetting of overdracht aangeeft een verblijfsaanvraag regulier te willen indienen, kan de IND op grond van de uitzonderingen als genoemd in artikel 3.1, Vb, en bij een herhaalde verblijfsaanvraag asiel op grond van de uitzonderingen als genoemd in artikel 56 van de Procedureverordening, besluiten dat uitzetting of overdracht toch doorgang kan vinden.

De procedure in geval van een lastminuteaanvraag om een verblijfsvergunning asiel staat beschreven in paragraaf C2/5.4 Vc.

6.5 Verantwoordelijkheid voor maatregelen uitzetting

De DTenV is verantwoordelijk voor de effectuering van de uitzetting van vreemdelingen, met uitzondering van uitsluitend de volgende categorieën vreemdelingen:

•.

vreemdelingen die door de KMar in het kader van het Mobiel Toezicht Veiligheid (MTV) zijn aangetroffen. De Commandant KMar is verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen voor de overdracht aan Duitsland of België via de landsgrenzen

•.

vreemdelingen die in het kader van het vreemdelingentoezicht worden aangetroffen en die op basis van bilaterale overeenkomsten met Duitsland, België en Luxemburg zonder uitgebreide formaliteiten kunnen worden overgedragen aan de autoriteiten van deze landen via de landgrenzen met België of Duitsland. Deze vreemdelingen worden door de politie aan de KMar overgedragen. De KMar zorgt voor de overdracht aan België of Duitsland;

•.

vreemdelingen die na toegangsweigering door de ambtenaar belast met de grensbewaking, door de KMar of ZHP onmiddellijk of zodra dit logistiek mogelijk is, uitgezet kunnen worden naar het land van herkomst.

6.6 Aanlevering van de vreemdeling voor de uitzetting

Uitzettingen vinden plaats via één van de justitiële inrichtingen. Hiervan uitgezonderd zijn in ieder geval de volgende vreemdelingen:

•.

vreemdelingen die zijn aangetroffen in het grensgebied in het kader van het MTV of in het kader van het vreemdelingentoezicht;

•.

vreemdelingen die worden uitgezet per vliegtuig en rechtstreeks naar de grensdoorlaatpost worden gebracht waarlangs de vreemdeling zal worden uitgezet. Het rechtstreeks via de grensdoorlaatpost laten vertrekken van vreemdelingen mag uitsluitend in de volgende gevallen:

•.

na overleg met de DTenV;

•.

in uitzonderlijke gevallen bij capaciteitsproblemen of bij overwegingen van openbare orde.

De DTenV is bij uitzetting per vliegtuig verantwoordelijk voor het boeken van een vlucht voor de vreemdeling. Minimaal 48 uur voor vertrek controleert de DTenV of de vreemdeling voldoet aan alle volgende voorwaarden:

•.

de vreemdeling beschikt over een geldig vliegticket;

•.

de vreemdeling beschikt over zijn geld en andere eigendommen;

•.

de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding of een schriftelijke toezegging van de diplomatieke vertegenwoordiging voor een geldig document voor grensoverschrijding;

•.

de vreemdeling beschikt over persoonlijke bagage (maximaal 20 kg.);

•.

de vreemdeling beschikt als dit nodig is over een verklaring van medische vliegreisgeschiktheid (de ‘fit-to-fly-verklaring’).

Voor de uitzetting plaatsvindt, wijst de ambtenaar belast met de feitelijke uitzetting de vreemdeling erop dat bewijsmiddelen waaruit blijkt dat de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel heeft gevraagd, achtergelaten mogen worden.

6.7 Informatie-uitwisseling ten behoeve van de uitzetting

De DTenV meldt de KMar of ZHP door middel van Sigma, het digitale vreemdelingenbeeld, voorafgaand aan de uitzetting alle feiten en bijzonderheden die van belang kunnen zijn voor de veiligheid tijdens de uitzetting of de veiligheid van de ambtenaren belast met de begeleiding tijdens de vlucht. De DTenV kan de KMar op basis van gedragsaspecten verzoeken om begeleiding van de vreemdeling tijdens de vlucht.

De DTenV maakt voor de overdracht van de vreemdeling aan de KMar ten behoeve van de feitelijke uitzetting model M24-A op. Bij de overdracht van de vreemdeling ondertekent de KMar het exemplaar van het model M24-A en geeft het getekende exemplaar terug aan de ambtenaar die de vreemdeling heeft overgedragen aan de KMar. Afhankelijk van de wijze van vertrek, maakt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen het relevante bericht op zodat de IND wordt geïnformeerd dat de vreemdeling is vertrokken en of deze gesignaleerd moet worden. Als signalering aan de orde is, wordt dit door de IND opgevoerd.

6.8 Hulpmiddelen ten behoeve van uitzetting

In artikel 23a en 23b van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren (hierna: Ambtsinstructie) zijn regels opgesteld voor het gebruik van hulpmiddelen ten behoeve van de gedwongen uitzetting of overdracht van vreemdelingen.

Artikel 23a van de Ambtsinstructie bevat de voorwaarden waaronder hulpmiddelen kunnen worden ingezet.

De hulpmiddelen kunnen worden ingezet om de veiligheid te borgen in en om het vervoermiddel. De eisen van subsidiariteit en proportionaliteit dienen te allen tijde in acht te worden genomen bij het toepassen van hulpmiddelen bij een uitzetting. Deze inschatting dient te worden gemaakt tijdens of vlak voor de daadwerkelijke uitzetting. Uitgangspunt van de Koninklijke Marechaussee blijft dat de uitzetting op een zo humaan en professioneel mogelijke wijze gebeurt. Dit betekent dat hulpmiddelen alleen worden ingezet indien dit strikt noodzakelijk is, en dat gedurende het vervoer continu wordt bekeken of met de inzet van minder vergaande hulpmiddelen kan worden volstaan.

De informatie over het gedrag van de vreemdeling, opgenomen in het Sigma/ de checklist/ geleidebrief (zie model M118), dient bij deze inschatting te worden betrokken. De gezagvoerder van het luchtvaartuig wordt vooraf, in een zo vroeg mogelijk stadium, geïnformeerd omtrent de begeleide uitzetting. Daarbij wordt het eventuele gebruik van hulpmiddelen aangegeven en bij de gezagvoerder om toestemming gevraagd om dit gebruik van hulpmiddelen voort te zetten. In het geval er nog geen hulpmiddelen zijn ingezet, wordt aan de gezagvoerder van het luchtvaartuig toestemming gevraagd, om indien nodig over te kunnen gaan tot het aanwenden van geweld en/ of het gebruik van hulpmiddelen.

De volgende hulpmiddelen kunnen, afzonderlijk dan wel gecombineerd, worden gebruikt:

•.

stalen handboeien: ten behoeve van het fixeren van handen;

•.

combinatieriem met klittenband boeien (de bodycuff): ten behoeve van het fixeren van de polsen aan de voorzijde van het lichaam met een mogelijkheid tot verbinding met de enkels;

•.

klittenband boeien: ten behoeve van het fixeren van handen, armen, benen en/of voeten;

•.

tiewraps: kunstof bindstrips ten behoeve van het fixeren van lichaamsdelen, handen en/of voeten;

•.

tuff-ties: kunststof touw/gewoven nylon ter fixatie van lichaamsdelen, handen;

•.

schuimcap: een helm welke dient ter voorkoming dat de vreemdeling zichzelf of anderen verwondt door bijvoorbeeld te bijten of door met het hoofd te slaan;

•.

gelaatsmasker en/ of spuugmasker danwel een spuugnetje: een masker/netje over alleen het gelaat/ de mond of het gehele hoofd dat dient ter bescherming ten bijten en/of spugen.

Deze hulpmiddelen zijn onderhevig aan innovatie en kunnen in de loop der tijd aangepast/vervangen worden met het oogpunt op humaan, proportionaliteit en veiligheid.

De Koninklijke Marechaussee meldt iedere toepassing van bovenstaande hulpmiddelen bij de Inspectie van Justitie en Veiligheid. De Inspectie ziet toe op een goede uitvoering van deze taak.

6.9 Overdracht in het kader van de Asiel- en migratiebeheerverordening

Een ambtshalve genomen overdrachtsbesluit wordt aan de vreemdeling kenbaar gemaakt als een kennisgeving van terugname wordt bevestigd van een vreemdeling die geen aanvraag heeft ingediend om een verblijfsvergunning asiel. Dit gebeurt door verzending aan de gemachtigde van de vreemdeling en/of door uitreiking of toezending aan de vreemdeling. Daarbij wordt de vreemdeling gewezen op de verplichting mee te werken aan de overdracht en dit overdrachtsbesluit na te komen.

De Commandant KMar beoordeelt of de vreemdeling wordt overgedragen in de vorm van een gecontroleerd vertrek of onder geleide. Bij de beoordeling beziet de Commandant KMar of uit de geaccordeerde claim blijkt dat een begeleide overdracht gewenst is. De DTenV adviseert de Commandant KMar bij de beoordeling voor een gecontroleerd vertrek of onder geleide.

De DTenV maakt de datum van overdracht aan de vreemdeling bekend. De DTenV verstrekt de vreemdeling die vrijwillig reist naar de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, het geldige document voor grensoverschrijding. De DTenV vermeldt op het geldig document voor grensoverschrijding aan welke lidstaat de vreemdeling wordt overgedragen. Als de vreemdeling onder geleide reist, houdt zijn begeleider het geldig document voor grensoverschrijding onder zich. Bij gecontroleerd vertrek per vliegtuig wordt het geldig document voor grensoverschrijding afgegeven aan de gezagvoerder die het geldig document voor grensoverschrijding bij aankomst aan de grensbewakingsautoriteiten overhandigt.

De ambtenaar van de dienst die het geld en andere persoonlijke eigendommen van de vreemdeling in beheer heeft, verstrekt dit na vertrek uit Nederland bij aankomst in de andere lidstaat aan de vreemdeling.

DTenV verstrekt de volgende informatie aan de IND of rechtstreeks aan de verantwoordelijke lidstaat:

•.

de vlucht- en/of reisgegevens;

•.

een kopie van het laissez-passer;

•.

een kopie van de beschikbare reis- of identiteitspapieren, voor zover deze nog niet zijn verstrekt aan de IND bij het leggen van de claim;

•.

overige bijzonderheden die bekend zijn bij de DTenV, die van belang kunnen zijn voor de verantwoordelijke lidstaat.

De IND en/of DTenV verzendt alle relevante informatie naar de verantwoordelijke lidstaat conform de bepalingen van artikel 48 en, indien van toepassing, artikel 49 en 50, van de Asiel- en migratiebeheerverordening.

6.10 Bericht van vertrek of ontruiming

In alle volgende situaties moet de politie het vertrek van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DTenV melden:

•.

als de vreemdeling een bevel heeft ontvangen om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van de andere lidstaat (model M106-A). Deze handelingen worden uitsluitend verricht bij vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, maar niet de Europese Unie. Aan vreemdelingen die de Europese Unie moeten verlaten reikt de politie een terugkeerbesluit uit (model M107-A);

•.

als de vreemdeling zelfstandig de woonruimte heeft verlaten tijdens de procedure voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel of een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd of vóór het ingaan van de vertrektermijn;

•.

als de vreemdeling zelfstandig de woonruimte heeft verlaten in of na de vertrektermijn van de procedure voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning asiel of een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

De politie meldt het vertrek van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DTenV door alle volgende handelingen te verrichten:

•.

toezenden van een bericht van vertrek;

•.

aangeven op welke wijze de vreemdeling is vertrokken.

De KMar maakt in alle volgende situaties melding van het vertrek van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DTenV:

•.

als de vreemdeling is uitgezet;

•.

als de vreemdeling vanuit strafrechttraject is uitgezet, conform het VRIS-protocol;

•.

als de vreemdeling onder toezicht is vertrokken nadat de vreemdeling zich zelfstandig heeft gemeld bij de KMar of de ZHP op een luchthaven of zeehaven voor het verkrijgen van een geldig document voor grensoverschrijding;

•.

als de vreemdeling onder toezicht is vertrokken na een MTV-controle;

•.

als de vreemdeling is overgedragen na een MTV-controle;

•.

als de inbewaringstelling is opgeheven en de vreemdeling een bevel heeft ontvangen om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van de andere lidstaat (model M106-A). De vreemdeling hoeft niet de Europese Unie te verlaten;

•.

als de vreemdeling een bevel heeft ontvangen om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van de andere lidstaat (model M106-A). Een bevel om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van de andere lidstaat (model M106-A) geldt uitsluitend voor vreemdelingen die Nederland moeten verlaten, maar niet de Europese Unie hoeven te verlaten. Aan vreemdelingen die de Europese Unie moeten verlaten reikt de politie of de KMar een terugkeerbesluit uit;

•.

als bij controle op uitreis blijkt dat een vreemdeling zonder rechtmatig verblijf zelfstandig uit Nederland vertrekt. Als deze vreemdeling nog niet eerder een terugkeerbesluit met een inreisverbod heeft ontvangen, kan de KMar dit aan de vreemdeling uitreiken (model M107-A).

De KMar meldt het vertrek of de uitzetting van een vreemdeling uit Nederland aan de IND en de DTenV door alle volgende handelingen te verrichten:

•.

toezenden van een bericht van vertrek;

•.

aangeven op welke wijze de vreemdeling is vertrokken.

Als de vreemdeling in Nederland opvang heeft genoten, melden de KMar en de politie ook de opvangverlenende instantie het vertrek of de uitzetting van de vreemdeling uit Nederland. Het COA moet de beëindiging van de onderdakvoorziening of de opvangvoorziening van een vreemdeling aan de IND en de DTenV melden door toezending van het model M100-A.

6.11 Gedragslijn als uitzetting niet mogelijk is

Als de politie constateert dat de vreemdeling niet langer op zijn woonadres verblijft waardoor uitzetting niet mogelijk is, meldt de politie aan de IND en de DTenV het vertrek van de vreemdeling. De politie vergezelt deze melding met een voorstel tot signalering aan de IND. De IND moet nagaan of de vreemdeling ondertussen rechtmatig verblijf heeft gekregen.