Nederlandse wetgeving

Considerans (overwegingen)

geldend

Richtlijn 2009/50/EG — Europese blauwe kaart · Geldig vanaf None

Bron
(1).

Met het oog op de geleidelijke totstandbrenging van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is in het Verdrag bepaald dat maatregelen moeten worden aangenomen op het gebied van asiel, immigratie en de bescherming van de rechten van onderdanen van derde landen.

(2).

Het Verdrag bepaalt dat de Raad maatregelen inzake immigratiebeleid aanneemt die betrekking hebben op de voorwaarden voor toegang en verblijf en op de normen voor de procedures voor de afgifte door lidstaten van langlopende visa en verblijfsvergunningen, alsmede maatregelen waarin de rechten en voorwaarden worden omschreven volgens welke onderdanen van derde landen die legaal in een lidstaat verblijven, in andere lidstaten mogen verblijven.

(3).

De Europese Raad van Lissabon heeft voor de Gemeenschap in maart 2000 voor 2010 de doelstelling geformuleerd om de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie ter wereld te worden, die in staat is tot duurzame economische groei met meer en betere banen en een hechtere sociale samenhang. Maatregelen om op basis van de behoeften hoogopgeleide werknemers uit derde landen aan te trekken en te bewerkstelligen dat zij in de Europese Unie blijven, maken deel uit van het bredere kader dat wordt geschetst in de Lissabonstrategie en de mededeling van de Commissie van 11 december 2007 inzake geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid.

(4).

In het Haags programma, dat door de Europese Raad van 4 en 5 november 2004 is vastgesteld, wordt legale migratie beschouwd als een belangrijke factor bij het versterken van de kenniseconomie in Europa en het bevorderen van de economische ontwikkeling, en dus bij het uitvoeren van de Lissabonstrategie. De Europese Raad nodigde de Commissie uit met een beleidsplan over legale migratie te komen waarin toelatingsprocedures zijn opgenomen waarmee snel kan worden ingespeeld op wisselingen in de vraag naar arbeidsmigranten op de arbeidsmarkt.

(5).

Tijdens de bijeenkomst van de Europese Raad van 14 en 15 december 2006 is een reeks maatregelen afgesproken voor 2007, waaronder de ontwikkeling van een goed aangestuurd migratiebeleid dat de lidstaten helpt in de huidige en toekomstige behoeften van de arbeidsmarkt te voorzien en dat de nationale bevoegdheden volledig in acht neemt.

(6).

Om de doelstellingen van de Lissabonstrategie te verwezenlijken is het tevens van belang de mobiliteit voor hoogopgeleide werknemers uit de Gemeenschap zelf te bevorderen, met name als het gaat om werknemers uit de lidstaten die in 2004 en 2007 tot de Europese Unie zijn toegetreden. Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de lidstaten zich te houden aan het beginsel van communautaire preferentie dat met name in de desbetreffende bepalingen van de toetredingsakten van 2003 en 2005 is geformuleerd.

(7).

Deze richtlijn moet ertoe bijdragen dat die doelstellingen worden verwezenlijkt en de tekorten aan arbeidskrachten worden opgevangen, en bevordert daarom de toegang en de mobiliteit — met het oog op een hooggekwalificeerde baan — van onderdanen van derde landen voor een verblijf van langer dan drie maanden, zodat de Gemeenschap wereldwijd aantrekkelijker wordt voor hoogopgeleide werknemers en haar concurrentiekracht en economische groei worden verstevigd. Om dit te bereiken, moet de toegang voor hoogopgeleide werknemers en hun gezin worden versoepeld door middel van een spoedprocedure en door hun op bepaalde gebieden dezelfde sociale en economische rechten toe te kennen als de nationale onderdanen van de lidstaat van verblijf. Daarnaast moeten de prioriteiten, de arbeidsmarktbehoeften en de opnamecapaciteit van de lidstaten in aanmerking worden genomen. Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de lidstaten om met het oog op tewerkstelling eigen nationale verblijfsvergunningen te handhaven of er nieuwe in te voeren. De betrokken onderdanen van derde landen moeten de mogelijkheid hebben een Europese blauwe kaart of een nationale verblijfsvergunning aan te vragen. Voorts dient deze richtlijn voor de houder van een Europese blauwe kaart de mogelijkheid onverlet te laten om eventuele krachtens nationaal recht verleende aanvullende rechten en voordelen die met deze richtlijn verenigbaar zijn, te genieten.

(8).

Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan het recht van de lidstaten om een maximum vast te stellen voor het aantal onderdanen van derde landen dat zij op grond van deze richtlijn op hun grondgebied toelaten met het oog op een hooggekwalificeerde baan. Dat geldt ook voor onderdanen van derde landen die op grond van een andere regeling legaal in een lidstaat verblijven en die daar willen blijven om een betaalde economische activiteit uit te oefenen, zoals pas afgestudeerde studenten of onderzoekers die zijn toegelaten op grond van Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk (4) respectievelijk van Richtlijn 2005/71/EG van de Raad van 12 oktober 2005 betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek (5), en die volgens het nationale of het Gemeenschapsrecht geen geconsolideerde toegang hebben tot de arbeidsmarkt van de lidstaat. Bovendien behouden de lidstaten, wat het aantal toegelatenen betreft, de mogelijkheid geen verblijfsvergunningen voor het verrichten van werk in het algemeen of voor bepaalde beroepen, economische sectoren of regio’s te verlenen.

(9).

In het kader van deze richtlijn kan, om te beoordelen of de betrokken onderdaan van een derde land over een getuigschrift van hoger onderwijs beschikt, worden verwezen naar de ISCED („International Standard Classification of Education”)-niveaus (1997) 5A en 6.

(10).

Bij deze richtlijn dient een soepel, vraaggestuurd toelatingssysteem te worden ingevoerd dat is gebaseerd op objectieve criteria zoals een minimumsalarisdrempel die aansluit bij het salarisniveau in de lidstaten en op beroepskwalificaties. Er moet een gemeenschappelijke minimumnoemer voor de salarisdrempel worden vastgesteld om een minimum aan harmonisatie van de toegangsvoorwaarden in de Gemeenschap te waarborgen. De salarisdrempel bepaalt een minimumniveau, maar de lidstaten mogen een hogere salarisdrempel vaststellen. De lidstaten dienen hun salarisdrempel vast te stellen op basis van de situatie en de organisatie van hun respectieve arbeidsmarkten en hun algemene immigratiebeleid. Er kan een afwijking van de hoofdregeling worden vastgesteld voor specifieke beroepen waarvoor de betrokken lidstaat van oordeel is dat er een specifiek gebrek aan beschikbare arbeidskrachten is en indien die beroepen deel uitmaken van hoofdgroep 1 en 2 van de ISCO („International Standard Classification of Occupation”)-classificatie.

(11).

Deze richtlijn strekt enkel tot vaststelling van de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen voor hooggekwalificeerde banen binnen de regeling van de Europese blauwe kaart, met inbegrip van de criteria in verband met een salarisdrempel om te bepalen wie voor de regeling in aanmerking komt. De salarisdrempel heeft als enig oogmerk te helpen, met inachtneming van een door de Commissie (Eurostat) of de betrokken lidstaat gepubliceerde statistische waarneming, de op basis van gemeenschappelijke regels door elke lidstaat afgebakende werkingssfeer van de Europese blauwe kaart te bepalen. Zij beoogt niet de salarissen te bepalen en om die reden wijkt zij noch van op het niveau van de lidstaten vigerende regels of praktijken noch van collectieve overeenkomsten af, en kan zij niet worden gebruikt om enige harmonisatie op dit gebied tot stand te brengen. Deze richtlijn laat de bevoegdheden van de lidstaten, met name op het gebied van werkgelegenheid, arbeid en sociale aangelegenheden, geheel onverlet.

(12).

Wanneer een lidstaat heeft besloten een onderdaan van een derde land die aan de relevante criteria voldoet, toe te laten, dient de betrokkene die een Europese blauwe kaart heeft aangevraagd, de specifieke bij deze richtlijn ingestelde verblijfsvergunning uitgereikt te krijgen, die hem en zijn gezin geleidelijke toegang tot de arbeidsmarkt en verblijfs- en mobiliteitsrechten toekent. De termijn voor het behandelen van de aanvraag voor een Europese blauwe kaart mag niet de tijd beslaan die nodig is voor de erkenning van de beroepskwalificaties of, indien vereist, de afgifte van een visum. Deze richtlijn laat de nationale procedures betreffende de erkenning van diploma’s onverlet. De aanwijzing van de bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze richtlijn laat de rol en de taken van andere nationale autoriteiten en, in voorkomend geval, de sociale partners met betrekking tot het onderzoek en het besluit betreffende de aanvraag, onverlet.

(13).

Het formaat van de Europese blauwe kaart dient in overeenstemming te zijn met Verordening (EG) nr. 1030/2002 van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de invoering van een uniform model voor verblijfstitels voor onderdanen van derde landen (6), zodat de lidstaten daarop informatie kunnen verstrekken, met name de voorwaarden waaronder de betrokkene mag werken.

(14).

Onderdanen van derde landen die in het bezit zijn van een geldig reisdocument en een Europese blauwe kaart die is verstrekt door een lidstaat die het Schengenacquis volledig toepast, dienen gedurende maximaal drie maanden vrij te kunnen verblijven en zich te kunnen verplaatsen op het grondgebied van een andere lidstaat die het Schengenacquis volledig toepast, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) (7) en artikel 21 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen.

(15).

De arbeids- en geografische mobiliteit van hoogopgeleide werknemers uit derde landen dient te worden beschouwd als een belangrijk instrument voor het bevorderen van de efficiëntie van de arbeidsmarkt, het voorkomen van tekorten in bepaalde beroepen en het opvangen van regionale onevenwichtigheden. Om het beginsel van communautaire preferentie in acht te nemen en misbruik van het systeem te voorkomen, dient de arbeidsmobiliteit van hoopopgeleide werknemers uit derde landen gedurende de eerste twee jaar van legaal werk in een lidstaat te worden beperkt.

(16).

Deze richtlijn neemt, wat de bezoldiging betreft, ten volle de gelijke behandeling van onderdanen van de lidstaten en van de Europese blauwe kaart in acht, indien zij in vergelijkbare situaties verkeren.

(17).

De gelijke behandeling van houders van een Europese blauwe kaart strekt zich niet uit tot maatregelen op het gebied van beroepsopleidingen die onder socialebijstandsregelingen vallen.

(18).

Houders van een Europese blauwe kaart dienen op het gebied van sociale zekerheid op dezelfde manier te worden behandeld als nationale onderdanen. In Verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (8), worden takken van sociale zekerheid omschreven. Verordening (EG) nr. 859/2003 van de Raad van 14 mei 2003 tot uitbreiding van de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 en Verordening (EEG) nr. 574/72 tot de onderdanen van derde landen die enkel door hun nationaliteit nog niet onder deze bepalingen vallen (9), breidt de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1408/71 uit tot onderdanen van derde landen die legaal in de Gemeenschap verblijven en zich in een grensoverschrijdende situatie bevinden. De bepalingen betreffende gelijke behandeling op het gebied van de sociale zekerheid in deze richtlijn gelden ook rechtstreeks voor personen die vanuit een derde land het grondgebied van een lidstaat binnenkomen, mits de betrokkene, ook gedurende de periode van tijdelijke werkloosheid, legaal verblijft als houder van een geldige Europese blauwe kaart en hij voldoet aan de bij het nationale recht gestelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor de betrokken socialezekerheidsprestaties.

(19).

Beroepskwalificaties die onderdanen van derde landen in een andere lidstaat hebben behaald, dienen op dezelfde manier te worden erkend als die van burgers van de Unie. Met beroepskwalificaties die in een derde land zijn behaald, dient rekening te worden gehouden overeenkomstig Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (10).

(20).

Gedurende de eerste periode van legaal verblijf van hoogopgeleide werknemers uit derde landen dient er toezicht te zijn op de geografische mobiliteit binnen de Gemeenschap, die gebaseerd moet zijn op de vraag. Er dienen afwijkingen van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen (11) te worden vastgesteld om te voorkomen dat geografisch mobiele hoogopgeleide werknemers uit derde landen die de in die richtlijn bedoelde status van langdurig ingezetene nog niet hebben verworven, worden benadeeld, en om geografische en circulaire migratie te bevorderen.

(21).

De mobiliteit van hoogopgeleide werknemers uit derde landen tussen de Gemeenschap en hun land van oorsprong moet worden bevorderd en ondersteund. Er dienen afwijkingen van Richtlijn 2003/109/EG te worden vastgesteld om de periode van afwezigheid van het grondgebied van de Gemeenschap uit te breiden, zonder dat de periode van legaal en ononderbroken verblijf die nodig is om in aanmerking te komen voor de status van langdurig ingezetene wordt onderbroken. Ook nadat hoogopgeleide werknemers uit derde landen de status van langdurig ingezetene hebben verworven, dienen langere perioden van afwezigheid mogelijk te zijn dan Richtlijn 2003/109/EG toelaat, zulks om hun circulaire migratie te bevorderen.

(22).

Bij de uitvoering van deze richtlijn dienen de lidstaten zich te onthouden van actieve werving van werknemers in sectoren in ontwikkelingslanden die te kampen hebben met een tekort aan arbeidskrachten. In sleutelsectoren, bijvoorbeeld de gezondheidszorg, zijn een ethisch wervingsbeleid en ethische wervingsbeginselen voor werkgevers in de publieke en private sector nodig, zoals wordt onderstreept in de conclusies van de Raad en de lidstaten van 14 mei 2007 betreffende een Europees actieprogramma om het nijpende tekort aan gezondheidswerkers in ontwikkelingslanden aan te pakken (2007-2013); dit geldt in voorkomend geval ook voor het onderwijs. Ter ondersteuning daarvan dienen mechanismen, richtsnoeren en andere instrumenten te worden ontwikkeld en toegepast om, waar passend, meer mogelijkheden te scheppen voor circulaire en tijdelijke migratie, alsmede maatregelen om voor ontwikkelingslanden de negatieve effecten van de migratie van hooggeschoolden zo veel mogelijk te beperken en de positieve effecten ervan optimaal te benutten, teneinde „brain drain” om te zetten in „brain gain”.

(23).

Gunstige voorwaarden voor gezinshereniging en voor de toegang tot werk voor echtgenoten dienen een fundamenteel aspect te zijn van deze richtlijn, die bedoeld is om hoogopgeleide werknemers uit derde landen aan te trekken. Om de doelstelling te bereiken moet op bepaalde punten worden afgeweken van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (12). De afwijking die is vervat in artikel 15, lid 3, van deze richtlijn belet de lidstaten niet om integratievoorwaarden en -maatregelen, waaronder het leren van een taal, voor de gezinsleden van een houder van de Europese blauwe kaart te handhaven of in te voeren.

(24).

Er dienen bepalingen betreffende de verslaglegging te worden vastgesteld om toezicht te houden op de uitvoering van deze richtlijn voor hoogopgeleide werknemers en ook om mogelijke negatieve „braindrain”-effecten in de ontwikkelingslanden te signaleren en zo mogelijk tegen te gaan, teneinde verspilling van bekwaamheden („brain waste”) te voorkomen. Jaarlijks dienen de lidstaten aan de Commissie de desbetreffende gegevens te verstrekken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming (13).

(25).

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het invoeren van een bijzondere toelatingsprocedure en het goedkeuren van de voorwaarden voor toegang en verblijf van langer dan drie maanden, die van toepassing zijn op onderdanen van derde landen, met het oog op een hooggekwalificeerde baan, en op hun familieleden, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, vooral wat het verzekeren van de mobiliteit van deze personen tussen de lidstaten betreft, en derhalve beter door de Gemeenschap kan worden verwezenlijkt, kan de Gemeenschap in overeenstemming met het in artikel 5 van het Verdrag genoemde subsidiariteitsbeginsel maatregelen treffen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(26).

Deze richtlijn neemt de grondrechten in acht en is in overeenstemming met de beginselen van met name artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(27).

Overeenkomstig punt 34 van het Interinstitutioneel Akkoord „Beter wetgeven” tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (14), worden de lidstaten ertoe aangespoord voor zichzelf en in het belang van de Gemeenschap eigen tabellen op te stellen die, voor zover mogelijk, het verband weergeven tussen de richtlijn en de omzettingsmaatregelen, en deze openbaar te maken.

(28).

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende het standpunt van het Verenigd Koninkrijk en Ierland, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de oprichting van de Europese Unie, en onverminderd artikel 4 van genoemd protocol, nemen deze lidstaten niet deel aan de aanneming van deze richtlijn en is deze richtlijn niet bindend voor, noch van toepassing in het Verenigd Koninkrijk en Ierland.

(29).

Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de aanneming van deze richtlijn en is deze richtlijn niet bindend voor, noch van toepassing in Denemarken,